Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 :17 Ef. 2 : 10, kinderen Gods niet alleen door aanneming, maar ook door wedergeboorte, Joh. 1:12,13, 1 Joh. 1:3, heiligen, Rom. 1:1 enz. en geheiligden, Hd. 20: 32,26 :18,1 Cor. 1 :2, Hebr. 2 :11,10 :10,14.

De heiliging is dus in de eerste plaats een werk Gods, Joh. 17 : 17 1 Th. 5 : 23, Phil. 1: 6, nader nog van Christus en zijn Geest, Rom. 8:4, 9, 10, 11, 1 Cor. 1:30, 6:11, Ef. 5:27, Col. 1; 22, 2 Th. 2 :13, Hebr. 2:11, 9 :14, 10 :10, 14, 29, 13 :12,

1 Petr. 1:2. Maar daarom juist, wijl God het willen en werken in hen volbrengt, moeten zij huns zelfs zaligheid werken met vreeze en beven, Phil 2:12, 13, 2 Petr. 1:10; zij moeten hun gansche geest en ziel en lichaam onberispelijk in heiligmaking bewaren tot den dag van den Heere Jezus Christus, Ef. 1: 4, Phil. 2 : 15,1 Th. 3 • 13 5 : 23. Zij zijn wel in het vleesch en hebben voortdurend te strijden tegen het vleesch, 1 Cor. 3:1, Gal. 5:17 - Paulus zelf heeft de volmaaktheid nog niet bereikt, Phil. 3:12, en verwacht deze eerst met de verlossing van het lichaam dezes doods, Rom. 7 :24, 8:23 — maar zij zijn toch geroepen, om zich te reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, en hunne lichamen te stellen tot eene levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande,

2 Cor. 7 :1, Rom. 12:1, om het vleesch te kruisigen met al zijne begeerlijkheden, en al hunne leden dienstbaar te stellen aan de ge rechtigheid, Gal. 5 :24, Rom. 6 :13, om niet te zondigen, maar de wereld te overwinnen, Gods geboden te onderhouden, zich te reinigen en te wandelen in het licht, 1 Joh. 1:7, 2:1, 3:6, 9, 5.4 enz. Al die geboden vatten zich saam in de liefde, Rom. 12 : 10, 13:8—10, 1 Cor. 13, Ef. 1:4, 5:2, Col. 3:14, 1 Th. 4:9, 1 Joh. 3:11 v., 4:8 enz., en sluiten menschelijke inzettingen en eigenwilligen godsdienst uit, Mt. 15 : 9, Col. 2 :18, 20 23, 1 Tim. 4 .1, 2 Tim. 2 :23, Hebr. 13:9, Op. 2:14, 15. Het huwelijk moge in sommige omstandigheden onraadzaam en ongewenscht zijn, 1 Coi. 7 :8, 20 v., het verbod om te huwelijken is, evenals dat, om spijzen te gebruiken, een leering van hen, die afvallen van het geloof, 1 Tim. 4: 3. Want er is niets onrein in zichzelf, Mt. 15:11, Rom. 14:14; alle schepsel Gods is goed en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde, 1 Tim. 4:4, 5, de genade heft de natuur niet op, 1 Cor. 7 :20—23, en niémand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar hij voedt en onderhoudt het, gelijk de Heer de gemeente, Ef. 5:29. De Christen is wel tot eenvoudigheid des levens geroepen, 1 Tim. 2:9, Tit. 2:3, 1 Petr. 3:3, en tot het vlieden van de begeerlijkheden der wereld, 1 Joh. 2:15 17, maar

Sluiten