Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vanzelf tot de leer van de verdienstelijkheid der goede werken. Ook deze was reeds een element van de Joodsche theologie, welke de verhouding van God en mensch geheel en al door het: do ut des, beheerschen liet. Wie God dient en zijne geboden vervult, kan aanspraak maken op loon, en dit te meer, naarmate die geboden zwaarder zijn en hunne onderhouding moeilijker is r). Deze Joodsche gedachte oefende, vooral ook door in de LXX opgenomen apocriefe boeken, in Christelijke kringen grooten invloed uit. Reeds bij de apostolische vaders heet het, dat de gedoopte, die vergeving van zijne vroegere zonden ontving, voortaan door het onderhouden van de geboden van Christus het eeuwige leven verwerven moet2). Tertullianus gaf aan deze gedachte een streng juridisch karakter door zijne leer van het meritum; als de Christen goede werken doet of satisfactiones geeft voor nog bedreven zonden, dan maakt hij God tot zijn schuldenaar (Deum promereri of demereri) en verplicht Hem, om hem in den dag des gerichts overeenkomstig zijne verdiensten te beloonen 3). Augustinus nam nog wel een zuiverder standpunt in en schreef den aanvang en den voortgang der goede werken aan Gods genade toe, zoodat er van verdiensten bij den mensch eigenlijk geene sprake kon zijn, en God niet onze verdiensten maar zijne eigene gaven beloonde 4). Doch de kerk wandelde meer en meer in het semipelagiaansche spoor en maakte van de verdienstelijkheid der goede werken een artikel des geloofs.

Deze leer sluit dan volgens Rome de volgende stellingen uit: 1°. Wijl de wil door de zonde wel verzwakt, maar niet van alle vrijheid beroofd is, kan de natuurlijke mensch, onder leiding en met hulp van Gods voorzienigheid, ook nog natuurlijk-goede werken doen 5). 2°. Wie van deze natuurlijke krachten een goed gebruik maakt en facit quod in se est, kan volgens de tegenwoordig meest geldende voorstelling zich op geenerlei wijze de gratia infusa waardig maken en slechts negatief voor die genade zich voorbereiden in dien zin, dat hij voor hare ontvangst geen obicem ponit6). 3°. Positieve voorbe-

!) Verg. deel III 558—560

*) Clemens, 2 Cor. 8. Hermas, Vis. I 3.

3) H. Wirth, Der Verdienstbegriff in der Christl. Kirche nach seiner ges oh. Entw. dargestelt. I Der Verdienstbegriff bei Tertullian. Leipzig 1892. II Der \ erdienstbegriff bei Oyprian. Leipzig 1901. Verg. Kunze, art. Verdienst PKE XX ÖÜ_.

4) Verg. Kunze, t. a. p. 502—503.

*) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 2-5. Conc. Trid. sess. VI c. 1 can. 5-7. 6) Verg. deel III 585.

Sluiten