Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet naar extraordinaire dingen te streven, om zoo zijn verdienste en loon grooter te maken. Heel de ascese is in den grond niet anders dan een eigenwillige godsdienst; ze bestaat in het volbrengen van eene reeks consilia, die niet door God zijn geboden, maar door het menschelijk en kerkelijk goedvinden zijn ingesteld. De ware, kinderlijke gehoorzaamheid, de gehoorzaamheid des geloofs, bestaat in het' doen van den wil des hemelschen Vaders, gelijk die kort en zakelijk in de tien geboden voor ons ligt uitgedrukt. Deze geboden houden ons onze plichten voor jegens God en den naaste; en naast het gebod neemt ook het gebed in het dankbaar leven van den Christen eene voorname plaats in. Godsdienst en zedelijkheid blijven das onderscheiden; in de Protestantsche theologie kwam eene ascetiek op naast de ethiek J); en gelijk overal, zoo ging ook in Luthersche en Gereformeerde kerk het hart des eenen meer naar gene, en dat van den ander meer naar deze zijde uit. Maar ze waren toch in den eersten tijd vereenigd en stonden niet

vijandig tegenover.

Toen Melanchton echter langzamerhand tot de philosophie terugkeerde, ging hij aan de hand van Aristoteles de ethiek en de politiek behandelen en werd hij oorzaak, dat de philosophische ethiek aan het opkomen eener Christelijke en theologische ethiek in den weg stond, dat de invloed van het Christendom tot het inwendige zieleleven beperkt werd en dat heel het uitwendige leven los daarnaast kwam te staan en uit een eigen, natuurlijk beginsel bleef leven. Calvijn ging van een ander beginsel uit; in het beschrijven der vita Christiana verliest hij zich niet in eene breedvoerige uiteenzetting van allerlei deugden en plichten, maar vat hij heel dat leven als eene eenheid op, welke door één algemeenen regel wordt beheerscht2). Dezen ontleent hij aan Rom. 12 :1, waar de apostel het den plicht der geloovigen noemt, om hunne lichamen te stellen tot eene levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande. Het gansche leven van den Christen is dus eene toewijding aan den dienst Gods, nostri non sumus, Dei sumus; Hem behooren wij toe altijd en overal, in leven en in sterven. Van dit beginsel uit laat Calvijn het Christelijk leven zich dan uitbreiden in drieërlei richting, zooals hij dat in Tit. 2 :11 aangegeven vindt: de Christen moet, de goddeloosheid en wereldsche be-

1) Voetius, Ascetica sive Exercitia pietatis. Goriehem 1664. Verg. Heppe, Gesch. des Pietismus und der Mystik. Leiden 1879, die bl. 23 v. nog vele andere werken noemt.

2) Calvijn, Inst. III 6—10.

Sluiten