Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keerden tot de mystiek der Middeleeuwen, tusschen in- en uitwendig woord, geest en vleesch, kerk en wereld, genade en natuur eene scherpe tegenstelling maakten, de wedergeboorte lieten bestaan in de instorting eener nieuwe substantie, en dies de heiligmaking voornamelijk negatief beschreven als eene mijdmg van de wereld. Toen de Protestantsche kerken tot leerheiligheid vervielen, vonden deze mystieke, anabaptistische gedachten in vele harten weerklank.

Alle secten, die er in de Protestantsche kerken opkwamen, gingen min of meer van de gedachte uit, dat de belijdenis van de rechtvaardiging uit het geloof, indien niet onjuist, dan toch gebrekkig en onvolledig was, en dat ze met de heiligmaking moest worden aangevuld. Het Pietisme schreef eene bepaalde methode van bekeering

voor, en verzamelde de vromen daarna in kleine, afgesloten kringen,

die buiten de wereld stonden en door een streng, maar ook in vele opzichten bekrompen zedelijk leven zich kenmerkten l). Het Methodisme droeg niet alleen eene bepaalde methode van bekeering voor, maar kwam allengs ook tot eene bijzondere leer over de heiligmaking. John Wesley onderscheidde rechtvaardiging en heiligmaking niet alleen, maar scheidde ze ook; al is de laatste in zekeren zin eene onmiddellijke vrucht van de eerste, ze is toch eene bijzondere gave Gods en van een geheel verschillend karakter. Na de rechtvaardigmaking kan de mensch evenmin eenig goed werk doen als vóór dien tijd. Maar als God dan daarna tot ons spreekt: wees rein, en ons wederbaart en heiligt, wordt de wortel van het kwaad in ons hart uitgeroeid en zonde bestaat niet meer. Die volmaakte heiligheid is dus eene tweede gave na de rechtvaardiging door het geloof; ze is eene tweede verandering, maar van geheel anderen aard, 'a real change, terwijl die in de rechtvaardigmaking slechts is a relative change. 'tls waar, dat Wesley de heiligmaking soms ook opvatte als een proces, en dat hij vooral op later leeftijd er niet alle zonde door liet uitgeroeid zijn; maar zijne intieme gedachte was toch, dat de volmaakte heiligheid, na de rechtvaardigmaking, door het geloof terstond te verkrijgen was, want God wilde ze en Christus was machtig en bereid, om ze in één oogenblik te schenken -).

Deze leer van de Christelijke volmaaktheid neemt in het Metho-

') Yerg. deel III 612.

*) Verg. deel III 613-615. Robert Southey, The life of John Wesley. London 1903 bl. 234—264. Loofs in zijn art. Methodismus PRE3 XII 799 verzacht dit gevoelen van Wesley al te zeer.

Sluiten