Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met deze leer van de volmaakbaarheid der geloovigen in dit leven valt in beginsel ook die van de verdienstelijkheid der goede werken en van de overdraagbaarheid der verdiensten. Want als de goede werken alle onvolmaakt zijn, als er aan het beste werk nog iets gebrekkigs kleeft en als heel bet Christelijk leven hier op aarde een jagen naar de volmaaktheid blijft, kan er moeilijk van verdienste of loon sprake zijn en nog veel minder van een overhouden van verdiensten voor anderen. Maar bovendien gaat deze leer van de verdienstelijkheid der goede werken van eene atomistische opvatting van het Christelijk leven uit, die lijnrecht door de H. Schrift weersproken wordt. Ten eerste is de zedewet, die niet als wet van het werkverbond, maar in haar usus normativus seu didacticus voor de geloovigen van kracht blijft 1), één geheel; zij bevat wel verschillende geboden, maar is toch één organisme, dat, geschonden in één zijner leden, in zijn geheel geschonden wordt, Jak. 2:10, 11. Daaraan beantwoordt in ons de ééne deugd, n.1. de liefde, die, in welke richting zij zich uitbreidt en op welke personen zij zich richt, altijd ééne blijft en alzoo de vervulling der gansche wet en de band der volmaaktheid is. Ten tweede is er zeker eene toerekening, eene overdracht van Christus' verdiensten op onze rekening. Maar men dient deze dan tooh goed te verstaan. Christus kan n.1. niet gedeeld worden; men kan geene enkele van zijne verdiensten bezitten zonder alle andere, en alle saam niet bezitten zonder zijn persoon. Er is in de rechtvaardigmaking en zoo ook in de heiligmaking geene gemeenschap aan zijne weldaden zonder gemeenschap aan zijn persoon. Aan wie Hij toegerekend en geschonken wordt, wordt Hij geheel toegerekend en geheel geschonken. Wie in Hem gelooft, is met Hem vereenigd, heeft in Hem de gerechtigheid en het eeuwige leven, is terstond een kind en erfgenaam Gods. Als het Methodisme de heiligmaking en verzegeling scheidt van de rechtvaardigmaking en het geloof, en het bezit van deze laatste zonder dat der eerste mogelijk acht, ziet het deze gewichtige waarheid van Christus' eenheid en ongedeeldheid over het hoofd. Christus zelf in zijn persoon is van stonde aan door het geloof onze wijsheid, onze gerechtigheid en heiligmaking, onze verlossing.

Ten derde dwaalt dit Methodisme nog verder af, als het deze geïsoleerde weldaad, korter of langer tijd na de rechtvaardigmaking, door eene bijzondere geloofsdaad plotseling en ten volle mede-

*) Verg. later de paragraaf over het Woord Gods.

Sluiten