Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelbaar en verkrijgbaar acht. "Want daarbij miskent het zoowel de natuur des geloofs als het karakter der heiligmaking. Het geloof is toch van den aanvang af, ook waar het in de rechtvaardigmaking slechts van zijne passieve zijde in aanmerking komt, een levend en werkzaam geloof, dat terstond den ganschen Christus zich toeeigent en in die toeëigening wel wassen en groeien kan, maar toch altijd den ganschen Christus tot voorwerp heeft en Hem nimmer van zijne weldaden noch ook de eene weldaad van de andere scheiden kan. De heiligmaking is daarom van G-ods en van 1s menschen zijde een organisch proces. Naarmate Christus meer in ons inwoont, worden wij versterkt in het geloof, en naarmate ons geloof toeneemt, deelt Hij zichzelven aan ons mede. Derhalve zijn er in de kerk van Christus lammeren en zoogenden, Jes. 40: 11, minderen en meerderen, eersten en laatsten, Mt. 11: 11, 20: 16, kleinen en grooten in het geloof, Mt. 6 : 30, 8 :10, 26, 14: 31, 15 : 28, 16 : 8, zwakken en sterken, Rom. 14: lv., 15:1, 1 Cor. 8: 7v., 9:22, 10:25, vleeschelijk gezinden en geestelijken, 1 Cor. 3:1, 3, Cal. 6: 1, beginnenden en volwassenen, 1 Cor. 2:6, 3:2, 14 : 20, Phil. 3 :15, Hebr. 5 : 12, 14, 1 Petr. 2 : 7, jongelingen en vaders, 1 Joh. 2 :12—14. Aan een ieder wordt het geloof gegeven naar zijne mate, Rom. 12:3; ieder neemt in het lichaam van Christus een eigen plaats in, Rom. 12:4, 5, 1 Cor. 12 :12 v., en allen moeten zij te zamen opwassen in de genade en kennis van hunnen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, 2 Petr. 3:18.

Ten vierde kan het Christelijk leven daarom niet atomistisch ingedeeld, de werken niet van den persoon, en het eene werk niet van het andere worden losgemaakt; het is één organisme, opbloeiend uit één beginsel, geregeld door ééne norma, en zich uitstrekkend tot één doel. Dit doel kan niet liggen op aarde, in dit leven, in eenig schepsel, want indien dat het geval ware, zouden alle andere schepselen aan dat eene schepsel worden dienstbaar gemaakt en van hunne relatieve zelfstandigheid beroofd. De philosophische ethiek, die bij loochening van alle openbaring geen beginsel en geen norma van het zedelijk handelen kan vinden, is evenmin bij machte, om het einddoel aan te wijzen, waarop dat handelen zich richten moet. Ze zoekt het beurtelings in den staat of in de maatschappij, in den enkele of in de gemeenschap, in de materieele of de ethische, in de intellectueele of de aesthetische cultuur, en offert dan al het andere aan dat ééne op. Maar het einddoel van het zedelijk handelen kan niet anders liggen dan in God, die de oorsprong en dus ook het einddoel van alle dingen is, het hoogste

Sluiten