Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ongehoorzaamheid, de algemeene kerk voor eene particularistische of zelfs eene nationale inruilende 1). En juist door dezen sterken nadruk, dien Augustinus tegen de Donatisten op het instituut der kerk legt, heeft hij in niet geringe mate bijgedragen tot de ontwikkeling van het Roomsche kerkbegrip2).

In de Middeleeuwen werd dit kerkbegrip practisch uitgewerkt in de ontwikkeling der hierarchie, in de machtige organisatie van het kerkelijk instituut, in den strijd der kerk met en hare verheffing boven den staat. Des te opmerkelijker is, dat het theoretisch bijna in het geheel niet behandeld werd s). Niet de theologie maar de jurisprudentie heeft toen de ontwikkeling geleid4). Eerst na de bestrijding door Wiclef, Hus, de Hervormers enz. wordt het kerkbegrip van Roomsche zijde breeder ontwikkeld en verdedigd5). Daarin staat dan het zichtbaar instituut op den voorgrond. Christus heeft n.1. op aarde eene kerk gesticht, waaraan de zichtbare en de onzichtbare zijde onafscheidelijk verbonden zijn. Evenals m Christus eene Goddelijke en eene menschelijke natuur, in ieder mensch een ziel en lichaam, in het sacrament een teeken en eene beteekende zaak vereenigd zijn, zoo zijn er in de kerk eene zichtbare en eene onzichtbare zijde. De zichtbaarheid der kerk berust op de vleeschwording des Woords. Christus is de causa efficiens, exemplaris en finalis van de kerk; Hij leeft zelf als profeet, priester en koning door den H. Geest in haar voort, en stort al de gaven zijner genade in haar uit. Hij deelt deze uitsluitend mede door middel van ambt en sacrament; het instituut gaat dus vóór het organisme; de kerk is eene moeder der geloovigen, voordat zij eene vergadering is; de ecclesia docens met haar hiërarchische inrichting en haar genadewerkende sacramenten gaat aan de ecclesia

audiens vooraf en staat hoog boven haar.

Op deze ecclesia docens zijn dan ook in de eerste plaats al die

1) c. Cresc. II 37. de unit. eccl. 12, 14.

2) Verg. H. Schmidt, Aug. Lehre v. d. Kirche, Jahrb. f. deutsche Theol. 1861 bl. 197-250. Reuter, Aug. Studiën 1887 bl. 4-105. Bomer, Augustinus bl. 276295. Specht, Die Lehre v. d. Kirche nach dem h. Aug. 1'aderborn 1892.

3) Over de leer der kerk vinden we alleen iets bij Hugo Vict., de Sacr. II 2. Ealesius, Summa IV qu. 4. Thomas, c. Gent. IV 76. S. Theol. I 2 qu. 101 art. 2. II 2 qu. 10 art. 10 qu. 88 art. 12. III qu. 8 art. 3, 4. qu. 68 art. 9.

4) Harnaclc, D. G. III 400.

5) Door Torquemada 1468, in den Catech. Rom. I c. 10, en voorts door Canus, Bellarminus, Becanus enz.

Sluiten