Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal worden. En in onderscheiding daarvan noemde hij de ecclesia universalis en de ecclesia particularis eene zichtbare (visibilis, sensibilis) vergadering van geloovigen, waarin ook hypocrieten kunnen zijn 1). In zijne Christianae fidei expositio van het jaar 1531 spreekt hij dan nog weer eenigszins anders en zegt, dat de kerk der geloovigen op aarde onzichtbaar is, inzoover zij alleen de ware geloovigen omvat, en zichtbaar, inzoover allen tot haar behooren, quotquot per universum orbem Christo nomen dederunt 2).

Calvijn sluit zich bij dit spraakgebruik aan. Als hij de uitdrukking ecclesia invisibilis voor het eerst in de Institutie van 1543 opneemt, verstaat hij daaronder de gezamenlijke uitverkorenen, die alleen Gode bekend zijn, en onderscheidt daarna de kerk als universa hominum multitudo in orbe diffusa, die zichtbaar is en ook hypocrieten in zich bevat, maar toch ook in zooverre weer onzichtbaar en voorwerp des geloofs is, als wij niet weten kunnen, wie daarin de ware geloovigen zijn«). Onzichtbaar kon de kerk dus reeds heeten in drieërlei opzicht: 1° als ecclesia universalis, omdat een bepaald persoon de kerk op andere plaatsen en in andere tijden niet waarnemen kan; 2° als coetus electorum, die eerst in de parousie voltooid en zichtbaar zal wezen; 8° als coetus electorum vocatorum, omdat wij in de kerk op aarde de ware geloovigen niet kunnen onderscheiden. Daarbij kwamen later nog au ere §ezic _s punten, waaronder de kerk onzichtbaar kon genoemd worden, bijv. omdat zij niet van deze wereld is, omdat haar hoofd Christus en dus ook zij zelve als zijn lichaam onzichtbaar is, omdat haar grootste deel in den hemel is, omdat zij tijdelijk en plaatselijk van bediening der genademiddelen verstoken kan zijn, omdat zij in tijden van vervolging in woestijnen en spelonken schuil gaat, omdat zij wel in hare uitwendige belijdenis, maar niet in het inwendig ge oo c es harten waarneembaar is, omdat de kerk nooit op eene plaats en in één tijd tegenwoordig is, maar door de eeuwen en volken heen zich uitbreidt 4). En zichtbaar heette dan de kerk daartegenover, wiil zij in belijdenis en wandel openbaar wordt, of als instituut met ambten en bedieningen optreedt, of niet alleen ware geloovigen

doch ook hypocrieten bevat. Confessie en dogmatiek bij de Gereformeerden gingen nu eens van deze en dan van gene opvatting uit.

1) Zicingli, Fidei ratio, Op. IV 8.

2) Zwingli, Op. IV 58.

3) Calvijn, Inst. IV 1, 1 9.

4) Polanus, Synt. theol. bl. 531.

Sluiten