Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

predikt en daardoor zijne gemeente sticht. Met Noach richt hij zijn verbond op, deelt er een schat van zegeningen in mede en bezegelt het met den boog in de wolken. Abram roept Hij uit Ur der Chaldeeën, maakt hem tot zijn bondgenoot en geeft hem het teeken der besnijdenis. In den patriarchalen tijd waren de huisgezinnen de gemeenten der geloovigen; de huisvaders waren de priesters, die de beloften meedeelden aan hunne kinderen en Gode offeranden brachten van aanbidding en dank. Het volk van Israël ontving bij den Sinaï niet alleen eene burgerlijke, maar ook eene godsdienstige organisatie en werd in priesterschap en offerande, in tabernakel en altaar, in allerlei wetten en instellingen als het volk Gods openbaar. Als bij den aanvang des N. Test. Johannes de Dooper optreedt, predikt hij den doop der bekeering tot vergeving der zonden, en zondert daardoor het volk Gods van het zondig Israël af. Jezus neemt deze prediking en dezen doop van Johannes over, voegt er later het avondmaal aan toe, vergadert eene sxxX^giu x) rondom zich, regeert haar zelf rechtstreeks, zoolang Hij op aarde is, en stelt een twaalftal apostelen aan, die straks als zijne getuigen zullen optreden. De instelling van het apostolaat is vooral een krachtig bewijs voor het institutair karakter, dat Christus aan zijne kerk op aarde gaf. Christus is zelf de dnoarokog, Hebr. 3:1, en zet deze dnoarohj in de twaalven voort, Joh. 20:21. Dit twaalftal vormde zich niet allengs vanzelf, maar werd uitdrukkelijk door Jezus zeiven geroepen en aangesteld. Er is bij hen, ofschoon Jezus van den aanvang wist, wie Hij tot apostelen verkiezen zou en daarom reeds terstond tot hen kon zeggen, dat hij hen tot dlssig uv&qcotiwv, Mk. 1:17, zou maken, toch een duidelijk onderscheid tusschen hunne eerste roeping tot het discipelschap, en hunne tweede roeping tot het apostelschap, Mt. 4:18—22 en 10: 1, Mk. 1:16 en 3 :14, Luk. 6 :1 en 13—16. Door velen, zooals Schleiermacher, Volkmar, Harnack, Seufert, Holtzmann enz. wordt deze speciale roeping tot het apostelambt door Jezus wel ontkend. Maar de feiten zijn met deze bewering in strijd. Het twaalftal apostelen stond toch reeds lang vóór het optreden van Paulus in de Christelijke gemeenten vast, Mt. 26 : 33, 28 : 18, Luk. 24 : 47, Joh. 20 :19, 21, 1 Cor. 15 :5, 7, Op. 21: 14. Ook de naam van apostel, niVc,

De wijze, waarop Jezus Mt. 16:18 en 18 :17 van zijne gemeente spreekt, sluit reeds in beginsel hare organisatie in, verg. Sillevis Smitt, De organisatie van de Christ. Kerk in den apost. tijd bl. 36.

Sluiten