Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de apostelen werkten, ib. en Hd. 11: 30, 12 : 25, 13 : 2 enz. In den na-apostolischen tijd verdwijnt het ambt geheel en wordt de naam sedert Tertullianus, Origenes en Eusebius gebruikelijk voor de schrijvers der vier Evangelieën, die als het ware de personen der evangelisten overbodig maken 1).

Naast de evangelisten treden in het N. T. nog profeten op, die zelfs nog vóór hen genoemd worden, Rom. 12:6, 1 Cor. 12 :28,. 29, Ef. 4 :11, soms zonder hen met de apostelen verbonden worden^ Ef. 2: 20, 3:5, en dus in rang eD eere boven hen staan. Zij waren door Jezus beloofd, Mt. 23:34, Luk. 11:49, werden door den H. Geest, die op den Pinksterdag uitgestort was, verwekt, Hd. 2 :17, 18, 1 Cor. 12: 10, Op. 1:10, en komen dan in grooten getale en in bijna alle gemeenten voor, in Jeruzalem, Hd. 6:5, 8, ll:27r Antiochië, 11: 27, 13 :1, Cesarea, 21: 9, 10, Corinthe, 1 Cor. 12,. en allerwege, gelijk uit hunne vermelding in Rom. 12:6, 1 Cor. 12 : 28, Ef. 2 : 20, 3:5, 4: 11, 1 Thess. 5 : 20 blijkt. Zij worden besloten met Johannes, den apostel, Op. 1:1, en verdwijnen dan als stand uit de gemeente geheel. "Wel spreken de apostolische vaders nog van profeten2), maar zij denken daarbij aan zulke mannen, die rondreisden en in verschillende gemeenten over de Christelijke waarheid spraken, maar daarbij nauwkeurig onderzocht en van de valsche profeten onderscheiden moesten worden; de tijd voor de profetie was voorbij. Het Montanisme en andere enthusiastische richtingen van vroeger of later tijd trachtten de profetie wel te doen herleven; Rome beweert, dat de profetische gave nog voortduurt 3). Zwingli en velen na hem voerden zoogenaamde profetieën in, waarbij de Schrift voor het volk werd verklaard 4). Maar dat alles is wezenlijk onderscheiden van de profetie, gelijk die in de eerste Christelijke kerken bestond. Deze onderscheidt zich door het volgende: 1° de N. T. profeten kunnen wel ambtsdragers heeten, maar hun ambt is toch veel meer charismatisch, dan dat

') Verg. over de evangelisten : Suicerus s. v. Witsius, Misc. Sacra I 315II 564. Voethis, Pol. Eccl. III 364 — 369. Mastricht, Theol. VII 2, 18. Lechler, Die neutLehre v. h. Amte 1857 bi. 220 v. Pliilippi, Kirchl. Gl. V 3, 277. Sohm, Kirchenrecht 42. Zöckler, Diakonen und Evangelisten, Miinchen Beek 1893. Art. in Hastings' D. B. en D. C. G.

2) Sermas, Mand. 11 Vis. 3 Didache 11, 15.

3) Bellarminus, de notis eccl. c. 15.

4) Güder, art. Prophezei in PEE3 XVI 108—110. II. H. Kuyper, De opleiding tot den dienst des Woords bij de Geref. 1891 bl. 104 v. J. C. Kromsigt, W. Schortinghiiis bl. 112 v.

Sluiten