Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christenheid; apostoliciteit is een eigenschap en kenmerk der kerk van Christus 1).

Onder de apostelen staat Petrus bovenaan. Simon of Schimeon, zoon van Johannes of Jonas, broeder van Andreas, afkomstig uit Bethsaïda, Joh. 1:45, doch waarschijnlijk sedert zijn huwelijk wonende in Kapernaum, Mk. 1:29, ontving reeds bij zijne eerste ontmoeting van Jezus de toezegging, dat hij later zou genoemd worden Krjtpag, Gr. vorm voor het Hebr. woord met het aram. artikel, de rots, t) ntrqa, als manl. eigennaam IIstqos, Joh. 1:43. Zonder twijfel zinspeelde Jezus daarmede op zijn trouw karakter, dat hem in weerwil van zijne sanguinische, bewegelijke natuur «igen was en het duidelijkst uitkwam bij Cesarea Philippi, toen hij tegenover het volk, dat met zijne aardschgezinde verwachtingen zich in Jezus teleurgesteld zag en Hem verliet, de belijdenis van Jezus' Messianiteit vasthield en openlijk in den naam zijner medediscipelen uitsprak, Mt„ 16:13-20, Mk. 8:27-29, Luk. 9: 18 tot 20 Joh. 6:66—69. Bij deze gelegenheid herinnerde Jezus dan ook aan den naam, dien Hij hem vroeger reeds gegeven had, Mt. 16: 18. Door zijne vrijmoedige en standvastige belijdenis van Jezus als -den Christus betoonde zich Petrus de rots te zijn, op welke Christus zijne gemeente zoo hecht en vast zou bouwen, dat de poorten van den hades haar niet in kracht overtreffen zouden. Volgens Launoi dachten 17 kerkvaders bij de rots aan Petrus, 8 aan de apostelen, 44 aan het geloof van Petrus en 16 aan Christus 2); later hebben de Roomschen de rots meest op Petrus en de Protestanten op zijne belijdenis laten slaan. Maar er is hier geen dilemma. De woorden , deze petra" kunnen niets anders zien dan op den persoon van Petrus, maar een rots is hij en heeft hij zich bewezen te zijn door zijne belijdenis van Jezus als den Christus, eene belijdenis, die hij niet aan zichzelven, maar aan de openbaring des Vaders heeft te danken. Juist daarom belooft Jezus hem, dat Hij op hem als belijder van zijn Zoonschap en Messianiteit zijne gemeente bouwen

1) Verg. deel I 417 v. en voorts Voetius, Pol. Eccl. III 351—363. De Moor, 'Cómm. VI 250 v. W. Seufert, Der Ursprung u. die Bedeutung des Apostolates in der chr. K. der ersten 2 Jahrh. Leiden 1887. Koppel, Der Ursprung des Apost., Stud. u. Krit. 1889 bl. 257— 331. Erich Haupt, Zum Verstiindniss des Apost. Halle Niemeijer 1896. II. Monnier, La nation de l'apostolat. Des origines a Irenee. Paris Leroux 1903. Harnack, Mission u. Ausbreitung I 267 v. Patrick, art. in Hcistings D. of Christ I 101 v.

2) Bij Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 411.

Sluiten