Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den zij dan ook terloops als iets heel gewoons naast en na de ouderlingen genoemd; in 1 Tim. 3 somt Paulus hunne vereischten op, en in Rom. 16 :1, 2, 1 Tim. 3 :11, 5 : 9, 10 is er van diakonessen sprake. Het apostolaat moge dus als buitengewoon ambt aan de kerk als vergadering der geloovigen voorafgaan; de ambten van leeraar, ouderling en diaken onderstellen de gemeente, die het recht heeft de dragers ervan aan te wijzen en te verkiezen.

500. Deze aristocratisch-presbyterale kerkinrichting is niet lang blijven bestaan, maar spoedig in eene monarchisch-episcopale overgegaan. Hoe dat toegegaan is, weten wij niet: voor gissingen en onderstellingen is hier dus een ruim veld x). Zeker hebben verschillende omstandigheden de kerk in deze richting gestuurd. Ten eerste lag het voor de hand, dat de kerken in den aanvang nog niet streng onderscheiden konden tusschen de buitengewone (apostelen, evangelisten, profeten) en de gewone (episcopi, diaconi) ambten. De op een charisma berustende ambten van apostel (in den ruimeren zin van evangelist), profeet en leeraar duurden, ook nadat de twaalf apostelen en Paulus gestorven waren, in de gemeenten nog voort2). Maar toen deze ophielden en hoe langer hoe meer ontaardden, zoodat tusschen ware en valsche steeds moeilijker te onderscheiden viel, toen werd de evangeliseerende, profetische en didaskalische werkzaamheid aan het ambt van de episcopi gebonden; zij werden de ware evangelisten, profeten en leeraars 3). Gelijk altijd, zoo werd ook toen allengs de stroom van het vrije leven in de bedding eener vaste organisatie geleid. Ten tweede leeren ons de toestanden, die volgens het N. T. en de apostolische vaders in de gemeenten bestonden, duidelijk, dat de eerste Christenen lang niet in staat waren, om de waarheid van het Evangelie in al haar rijkdom en zuiverheid in zich op te nemen. Vooral de denkbeelden van Paulus werden met allerlei vreemde, joodsche en heidensche bestanddeelen vermengd. De rechtvaardiging uit het geloof werd

J) Verg. Karl Sell, Forschungen der Gegenwart über Begriff und Entstehung der Kirche, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1894 bi. 347—417. Dunin-Borkowski, S. J. Die neueren Forschungen über die Anfiinge des Episkopats. Freiburg Herder 1900. Ruibing, De jongste hypothesen over het ontstaan van het episcopaat, Gron. 1900. A. Micliiels, L'oiigine de 1'épiscopat. Louvain 1900. J. W. Falconer, From Apostle to Priest. A study of early church organisation. Edinburgh 1900. 2) Didache 11 v. Hermas, Mand. 11. Eusebius, Hist. eccl. III 37.

®) Didache 15.

Sluiten