Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak van tucht gegolden hebben, zij bewijst toch de vrijmoedigheid en zelfstandigheid van Irenaeus en anderen tegenover den bisschop van Rome. Evenzoo stelt Tertullianus alle door de apostelen gestichte kerken, Efeze, Corinthe, Philippi enz. op ééne lijn, al zegt hij ook, dat Carthago in Rome hare autoriteit heeft en dat de apostelen in Rome totam doctrinam cum sanguine suo profuderunt*); in zijne montanistische periode bestreed hij het edict van Calixtus over de wederopneming der gevallenen, noemde hem spottend pontifex maximus, episcoptfs episcoporum, en zag daar eene verregaande aanmatiging in 2). Ook Cyprianus staat nog op het zelfde standpunt; alle bisschoppen zijn gelijk, zijn eene en dezelfde bisschoppelijke waardigheid deelachtig, zijn als het ware één bisschop, staan aan het hoofd der kerk en moeten onderling caritas animi, collegii honor, vinculum fidei et concordia sacerdotii bewaren3). Daarom kwam hij in den strijd over den ketterdoop tegen den bisschop van Rome> Stephanus, nog in verzet; de eenheid bewarend, is ieder bisschop toch in zekere mate zelfstandig en alleen Gode verantwoordelijk 4).

Maar de bovengenoemde nieuwe opvatting van het episcopaat moest uit den aard, der zaak aan Rome ten goede komen. Het zwaartepunt was uit de gemeente in den bisschop verlegd. Deze werd beschouwd als opvolger van de apostelen, als drager van den schat der waarheid en van de apostolische macht. Indien dit zoo was, welke bisschop kon dan meer aanspraken maken en meer rechten doen gelden dan de bisschop van Rome? Geen kerk stond in macht en aanzien met die van ilome gelijk; zij liet ze alle achter

') Tertullianus, de praescr. 36, cf. 20. de virg. vel. 2.

-) de pudic. 1, 13, 21. Verg. Karl Adam, Der Kirchenbegriff Tertullians 1907 bi. 70 v. 166 v. 204 v.

3) Cyprianus, Ep. 43, 5. 49, 2. 55, 24. 73, 26. de unit. 5.

4) Ep. 72, 3. Ook Roomschen, zooals Delarochelle, Ehrhard, Rauschen, Funk e. a. erkennen, dat het primaat van den bisschop van Rome door Cyprianus nog niet geleerd wordt, verg. daartegen C. A. Kneller, Der h. Cyprian und die Idee der Kirche, St. aus Maria Laach, Nov. 1903 bl. 498—521. Volgens Hugo Koch, Cyprian und der Röm. Primat, Leipzig Hinrichs 1910, is de organisatie der kerk wel van éénen uit, n.1. Petrus, begonnen, maar de persoon van Petrus is hier bijzaak. Nadruk valt alleen daarop, dat de numerische eenheid, waaruit de kerk haar aanvang nam, beeld is van de zedelijke eenheid der kerk, en die eenheid rust niet in het Roomsche primaat, maar in geheel het episcopaat. Verg. de critiek van Kneller, St. aus M. Laach 1910 bl. 75—82, maar ook van Gr. Kriiger, Theol. Lit. Zeitung 1910 col. 486—489.

Sluiten