Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarop Christus zijne gemeente bouwt. Dit is natuurlijk beeldspraak en geeft zonder beeld toch niet minder, maar ook niet anders te kennen, dan dat Christus van den persoon van Petrus als den getrouwen belijder zich bedienen zou, om zijne gemeente te vergaderen. In de gemeente als het gebouw Gods zijn de geloovigen de levende steenen, die op de apostelen als de fundamentsteenen worden opgebouwd. Die plaats neemt Petrus in het Godsgebouw in, en hij niet alleen, maar al de apostelen met hem. Want Petrus legde de belijdenis van Jezus1 Messianiteit af in aller naam, Mt. 16:15,16; al sprak hij haar het eerst en het klaarst uit, hij gaf toch uiting aan wat min of meer bewust in aller hart leefde; en niet alleen Petrus doch alle apostelen legden door deze belijdenis, welke zij straks in het midden der wereld verkondigden, den grondslag der kerk van Christus; in beeld gesproken, waren zij dus allen met Petrus de rots, op welke Christus zijne kerk bouwde, of ook is met een andere toepassing van hetzelfde beeld, Christus de rots, welke de apostelen samen door hunne verkondiging legden tot grondslag der gemeente,. Hd. 4 :11, Rom. 9 : 33, 1 Cor. 3 :10, 11, Ef. 2 : 20, 1 Petr. 2 : 5, 6, Op. 21:14. De sleutelmacht, welke Petrus om zijne kloeke belijdenis reeds Mt. 16:19 ontvangt, wordt 18 :18, Joh. 20:23 aan alle apostelen verleend. De bijzondere bekwaammaking en leiding des H. Geestes was niet alleen het deel van Petrus, maar gelijkelijk van alle apostelen^ Mt. 10: 20, Joh. 14 : 26, 15 : 26, 16:13, 20: 22, Hd. 1: 8, Ef. 3: 5.

Door de handhaving van het apostolaat als een exceptioneel en onoverdraagbaar ambt laat de Reformatie aan al deze teksten, ook aan Mt. 16: 18, veel meer recht wedervaren dan Rome. De apostelen zijn en blijven de grondleggers der kerk; zij zijn door hun belijdenis de rots der gemeente; geen gemeenschap met Christus dan door de gemeenschap met hun getuigenis! "Wat de andere plaats, Luk. 22:32 betreft, Jezus zegt daar tot zijne jongeren, dat Satan hen allen, vfiag in plur., zal trachten tot verloochening van hun Meester te brengen, maar dat Hij bepaaldelijk voor Petrus, ntQi oov in sing., bidden zal, dat zijn geloof niet ophoude. Petrus zou dit vóór allen noodig hebben, omdat hij zijn Meester het eerst en het sterkst verloochenen zou. Dat zijn geloof dan niet ophoudt, zal hij. alleen aan eene geheel bijzondere voorbede van Jezus te danken hebben. En als hij dan door dat gebed van Jezus bewaard zal blijven en uit zijn val weder zal opstaan, dan zal hij, door de beproeving geleerd en in zijn geloof bevestigd, juist zijne broederen kunnen sterken, als dezen later misschien eens in hun geloof

Sluiten