Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK X.

Over do Middelen der Geuade.

§ i)6. Het Woord als genademiddel.

Harless und Harnack, Die kirchlich-religiöse Bedeutung der reinen Lehre von den Gnadenmitteln 1869. Rohnert, Die Lehre v. d. Gnadenmitteln. Leipzig 1866. Seeberg, art. PEE3 VI 723—727.

J. Muller, Das Verhaltnis zw. der Wirksamkeit des H. Geistes und dem Gnadenmittel des göttl. Wortes, Dogni. Abh. 127—277. R. H. Grützmacher, Wort und Geist. Eine hist. u. dogm. Untersuchung zum Gnadenmittel des Wortes, Leipzig 1902. Seeberg, art. Wort Gottes in PRE3 XXI 496—505. Bartlett, The letter and the spirit. Bampton Lectures 1888. J. II. Maronier, Het inwendig woord. Amsterdam 1890.

519. Alle heil en zaligheid vloeit den gevallen mensch toe uit de genade als deugd Gods. Objectief is die genade met al hare weldaden verschenen in Christus, die ze in den weg des verbonds verwierf en uitdeelt. De gemeenschap dergenen, die Christus met al zijne weldaden deelachtig zijn, draagt den naam van kerk of gemeente. Thans komt de vraag aan de orde, of Christus bij de mededeeling van deze zijne weldaden al dan niet van middelen zich bedient. De mystici zijn allen geneigd, om deze vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. Geheel in overeenstemming met hun dualistisch uitgangspunt, kunnen zij de genade niet denken als afhankelijk van of gebonden aan uitwendige teekenen en handelingen; God zelf alleen, of de Christus in ons, de Geest of het inwendig woord of licht werkt in den mensch de genade, en woord en sacrament kunnen niet anders doen dan die inwendige genade aanduiden en afbeelden; het geschreven woord drukt uit wat in het hart van elk geloovige geschreven staat, en de sacramenten stellen slechts uiterlijk voor oogen, wat Christus inwendig door

Sluiten