Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbo externo et praecedente x), of zooals Luther telkens zeide: Deus interna non dat nisi per exteraa. En toen nu in 1621 de Danziger predikant Hermann Rahtmann f 1628 een geschrift uitgaf, waarin hij leerde, dat het woord alleen geene kracht had om den mensch te bekeeren, tenzij de H. Geest met zijne genade erbij kwam 2), toen verhieven zich bijna alle Luthersche theologen tegen hem en ontwikkelden als de echte Luthersche leer, dat het woord Gods de kracht des H. Geestes tot bekeering in zich bezit, dat die kracht door Goddelijke beschikking erin gelegd is en er zoo onafscheidelijk mede verbonden is, dat zij in het woord ook zelfs nog inzit ante et extra omnem usum legitimum, evenals de hand des menschen, ook al werkt zij niet, toch altijd de vis operandi behoudt 3).

Nu is inderdaad het woord, dat van Gods mond uitgaat, altijd eene kracht, die datgene volbrengt, waartoe God het zendt. Dat is het op natuurlijk gebied in schepping en onderhouding, dat is het ook op zedelijk en geestelijk terrein bij het werk der herschepping. En dit geldt zelfs niet alleen van het Evangelie, maar ook van de wet. Paulus zegt wel van de Oudtest. wettische bedeeling, dat to yoanfia u7roxTsrret, 2 Cor. 3 : 6, maar daardoor drukt hij juist zoo sterk mogelijk uit, dat zij geen doode letter is; veeleer is zij zoo machtig, dat zij zonde, toorn, vloek en dood werkt; 6 r o/iog toy/,)' xaTeoya^tTca, Rom. 4: 15, is dvva^ug r^g auaoriag, 1 Cor. 15:56, diaxovicc r/(? xuTuxoiasuig, tov ibavazov, 2 Cor. 3 : 7, 9. En daartegenover staat nu het Evangelie als eene dvvapig '}e.ov sig acovr^iav, Eom. 1:16, 1 Cor. 1:18, 2*: 4, 5, 15 : 2, Ef. 1:13; het is, wijl geen menschen- maar Gods woord, Hd. 4 : 29, 1 Thess. 2 :13, levend en blijvend, 1 Petr. 1 : 25, levend en krachtig, Hebr. 4:12, geest en leven, Joh. 6:63, een licht, dat schijnt in een duistere plaats, 2 Petr. 1:19, een zaad, dat in de harten gestrooid wordt, Mt. 13 : 3, opwast en vermenigvuldigd wordt, Hd. 12 :24, van groote waarde is, ook al zijn degeneD, die het planten en natmaken, niets, 1 Cor. 3 : 7 «en scherp tweesnijdend zwaard, dat doordringt in 't binnenste wezen van den mensch en al zijne gedachten en overleggingen oordeelt, Hebr. 4:12. En daarom is het niet ledig en ijdel, maar het werkt, èvsqysizai, in degenen die gelooven, 1 Thess. 2 :13; en

') Art. Smalc. III 8.

*) Verg. ovér Rathmann: Grützmaeher, t. a. p. bi. 220 v.

•) Quensteclt, Theol. I 169. Hollaz, Ex. 992. Buddeiis, Inst. theol. 110. Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 51. Philippi, Kirchl. 61. V. 2 bl. 29 v.

Sluiten