Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buiten de Luthersche en de Gereformeerde kerken, die in navolging van Luther en Calvijn het objectief karakter der sacramenten handhaafden, vond de leer van Zwingli hoe langer hoe meer ingang. De We'derdoopers namen voetwassching, doop en avondmaal nog wel als sacramenten aan, maar zagen er toch alleen teekenen en symbolen, geen zegelen in; de sacramenten stellen wel zichtbaar de weldaden voor oogen, die de geloovigen van God hebben ontvangen, maar zij doen dat als belijdenissen van ons geloof en deelen geen genade mede '). De Socinianen keurden evenals Zwingli den naam sacrament af, beschouwden het avondmaal als een gedachtenismaaltijd, als eene verklaring van wat wij in Christus hebben, en ontkenden, dat de doop op een bevel van Christus berustte en eene blijvende instelling was2). De Remonstranten beleden in hunne confessie nog wel, dat God in de sacramenten zijne weldaden vertoont en certo modo exhibet atque obsignat, maar hunne Apologie deed zien, dat zij daaronder geene bezegeling van Gods belofte en geene meedeeling zijner genade verstonden; de sacramenten zijn teekenen van het verbond tusschen God en menschen, waarbij dezen zich verplichten tot een heilig leven en God zijne genade hun zichtbaar voor oogen stelt 3). Bij de Rationalisten werden de sacramenten tot herinnerings- en belijdenisteekenen, wier doel was bevordering der deugd, en die daarom licht met andere plechtige ceremoniën konden vermeerderd worden 4). De Kwakers verwierpen de sacramenten als Joodsch ceremonieel, vatten den doop als Geestesdoop op, die ons van onze zonden reinigt, en het avondmaal als afbeelding van de voeding onzer ziel door Christus 5). Dit ontbindend proces werd in zoover door Schleiermacher gestuit, als hij eene poging waagde, om het objectief karakter der sacramenten te handhaven en al de verschillende opvattingen in eene hoogere eenheid te verbinden. Hij omschreef ze daartoe als fortgesetzte Wirkungen Christi, in Handlungen der

u. Krit. 1884 bl. 417—455. Conf. Gall. 34, 37. Belg. 33. Cat. Heid. vr. 66, 67 enz. a Lasco, Op. I 115—232, 511—514. Bullinger, Huysboek V 6. Sohnius, Op. 155. Beza, Tract. theol. I 206 en de reeds boven genoemde werken van Geref. theologen.

*) Bij Cloppenburg, Op. II 238. Verg. ook Fr. II*. Loetscher, Schwenckfelds participation in the eucharistie controversy of the sixteenth century, Princeton Theol. Rev. 1906 bl. 352—386, 454—500.

2) Fock, Der Socin. bl. 559 v.

®) Conf. en Apol. Conf. c. 23. Lintborch, Theol. Christ. V 66.

*) Wegscheider, Inst. theol. § 165. s) Barclay, Verantwoording 1757 bl. 325.

Geref. Dogmatiek IV. 33

Sluiten