Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods. Hominum non est instituere et formare Dei cultum, sed traditum a Deo recipere et custodire 1). Maar Rome verkeert hierbij in een eigenaardige moeilijkheid. Wijl door Christus geene andere sacramenten waren ingesteld dan die van doop en avondmaal, moest van de andere sacramenten worden beweerd, dat zij öf geen sacramenten waren öf dat ook de apostelen het recht hadden tot instelling van sacramenten. Vóór het concilie van Trente beweerden velen, dat de sacramenten, bijv. confirmatie, biecht, niet onmiddellijk door Christus, maar door de apostelen waren ingesteld 2). Doch het concilie te Trente bepaalde uitdrukkelijk3), dat alle zeven sacramenten door Jezus Christus onzen Heere zei ven, niet middellijk, want dat erkenden allen; dan ware geen conciliebesluit noodig geweest, maar onmiddellijk 4) waren ingesteld en legden daarmede aan de theologie eene onuitvoerbare verplichting op. Toch had het concilie in zoover gelijk, als het erkende, dat het recht tot instelling van sacramenten zelfs niet door God op schepselen kan worden overgedragen. Menschen kunnen de instelling van een sacrament bekend maken, Ex. 12:1, Mk. 1:4, 11:30, 1 Cor. 11:23, kunnen het teeken ervan uitreiken, kunnen de genade Gods aankondigen, maar zij kunnen deze genade uit den aard der zaak liiet realiter schenken. De genade toch is geen stoffelijk goed, maar zij is de gunst, de gemeenschap Gods, van Hem onafscheidelijk en daarom door geen schepsel, door geen mensch of engel mede te deelen. Daarom is God in Christus door den H. Geest de eenige insteller, maar ook de eenige uitdeeler van het sacrament. Alleen dat sacrament is het ware, dat door God zelf bediend wordt. Het is Christus zelf, die in zijne kerk doopt en avondmaal houdt. Hij heeft zijn ambt niet overgedragen en geen plaatsvervanger op aarde aangesteld; Hij regeert zelf en gelijk Hij alleen als profeet het woord bedient, zoo is Hij ook de eenige bedienaar van het sacrament, al is het, dat Hij ook daarbij menschen als zijne instrumenten gebruikt 6). Ten tweede is in de Geref. definitie van de sacramenten ook opmerkelijk, dat ze als teekenen omschreven

1) Conf. Helv. II 19.

2) Lombardus, Sent. IV dist. 3. Hugo Vict, de sacr. II 15, 2 en zoo ook Halesius, Bonaventura e. a., verg. Schwane t. a. p. III 597.

3) Conc. Trid.sess VII can. 1.

*) Bellarminus, de sacr. I c. 23.

5) Conf. Helv. II 19. Rivetus, Synopsis pur. theol. 43, 8. Turretinus, Theol. El.

XIX 1, 14. M. Vitringa, Doctr. VI 338.

Sluiten