Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sacrament daarin na, dat het zwaartepunt nit den doop in de later volgende, steeds plechtiger ingerichte aanneming en bevestiging van leden verlegd wordt. Daartegenover werd weder van verschillende zijden een poging beproefd, om het objectief karakter van den doop te handhaven. Schleiermacher zag in den doop wel allereerst eene handeling der kerk, waardoor zij den geloovige in hare gemeenschap opneemt, maar dan vervolgens daarin tegelijk «ene opneming in de levensgemeenschap met Christus J). Anderen plaatsten de genadedaad Gods iü het sacrament op den voorgrond «n leerden, dat de doop geen wedergeboorte onderstelt, maar toch de kracht der wedergeboorte of deze zelve verleent, een aanknooping is van den liefdeband van Christus' zijde en den grondslag legt voor alle latere, echter dan slechts in den weg des geloofs te verkrijgene weldaden 3). Vele Lutheranen keerden zelfs tot de oude leer terug, dat de H. Geest in en door het water des doops de wedergeboorte werkt en lieten deze dan verder niet alleen in eene geestelijke vernieuwing, maar ook in de inplanting van eene hemelsche lichaam lijkheid bestaan 3). In Engeland trad het Tractarianisme op met de leer van een baptismal regeneration, daarin bestaande, dat de kinderen door den doop zoo werden vernieuwd, dat zij later zelfstandig de

J) Schleiermacher, Chr. 61. § 136—138. Verg. Schiceizer, Chr. Gl. § 171. Lipsins, Dogm. § 846.

2) Philippi, Kirchl. Gl. Y 2, 83 v. Kahnis, Luth. Dogm. II 333. Dorner, Chr. Gl. II 832. Frank, Chr. Wahrheit II 266. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 408 v. Althans, Die Heilsbedeutung der Taufe im N. T. Gütersloh 1898. H. Cremer, Wesen und Wirkung der Taufgnade. Gütersloh 1899. ld., Taufe, Wiedergeburt und Kindertaufe2. 1901. E. Cremer, Rechtfertigung und Wiedergeburt bl. 63 v. Onder dezen is er nog weer belangrijk verschil. Von Oettingen bijv. houdt den <ioop voor eene individueele toepassing van het woord der genade, dat in de prediking aan allen aangeboden wordt, en ziet er dus in het middel van persoonlijke heilsverzekerdheid. Frank beschouwt den doop vooral als sacrament der wedergeboorte, want zonder wedergeboorte geen geloof, dat Christus aanneemt en de rechtvaardiging ontvangt. Cremer en Althans handhaven den doop ook wel als het sacrament der wedergeboorte, maar verstaan deze geheel anders ; de wedergeboorte is geen theosophisch—naturalistische noch ook eene geestelijke vernieuwing, maar valt met de rechtvaardiging saam, verg. boven bl. 47, 51, 208.

3) Vilmar, Dogm. II 233. Martensen, Dogm. 308 v. Höfling, Das Sakrament der Taufe I 17 v. Thomasius, Christi Person u. Werk II 297 v. Ebrard, Dogm. II 308, 314 en anderen, boven bl. 39, 40, 47, 54 reeds genoemd. Voorts behooren hier ook nog. bij Grundtvig en zijne volgelingen, Hory, Lyng, Krogh-Tönning, verg. O. Scheel, Die dogm. Behandlung der Tauflehre in der mod. posit. Theol. Tübingen 1906.

Sluiten