Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de Heidenen, Num. 25:2, waren ook bij Israël met de offers dikwerf maaltijden verbonden. Soms werden de offers op het brandofferaltaar geheel verbrand, maar bij andere werd slechts een gedeelte verbrand en het overige voor gebruik bewaard, hetzij door de priesters alleen bij het altaar, Lev. 2:3, 10, 6:16, 25—30, 7: 1—10, 10 :12, 13, ter verzoening, Num. 10 :17; hetzij door den dienstdoenden priester met zijne familie op eene reine plaats tot zijn onderhoud, Lev. 7:12-14, 31—34, 10:14; hetzij door den ofleraar met zijne familie en gasten, mits levietisch rein en buiten het heiligdom, Lev. 7 :19—21, Deut. 12 : 7, 12, 1 Sam. 9 :13v., 2 Sam. 6:19. De beteekenis dezer maaltijden was, dat God met zijn volk samenkwam en op grond van de gebrachte en aangenomen offerande in vreugde zich met zijn volk vereenigde. In dit heiligdom komt God tot de kinderen Israels en woont onder hen, Ex. 20: 24, 29 : 42—46, 33 : 7, Num. 11: 25, 12 : 5, 17 : 4, Deut. 31: 15; Hij is de gastheer, die een deel der Hem gebrachte offerande afstaat en zijn volk ten maaltijd noodigt; wie eraan deelnamj trad met Hem in verbond. Het deelnemen aan de Heidensche offermaaltijden was daarom aan Israël verboden, Ex. 34:15; het was inïi, een zich verbinden met, een zich aansluiten bij de valsche goden, Num. 25 : 3, 5, Ps. 106 : 28; de apostelen verboden ze later aan de Christenen, Hd. 15. 29, 21:25, of waarschuwden er tegen om der zwakgeloovigen wil, 1 Cor. 8:lv., 10:18v. Als zulke vereenigingen van God met zijn volk en ook onderling, droegen deze maaltijden een kaïakter van blijdschap en vreugde en gaven menigmaal wel aanleiding tot brasserijen en dronkenschappen, 1 Sam. 1: 13, Jes. 28 : 8, Spr. t : 14, maar dienden andererzijds ook tot teekenen en onderpanden der hoogste vreugde in God, Deut. 27 : 7, Ps. 22 :26v., Jes. 25 : 6, 62 : 8, 9 !).

Zulk een offermaaltijd had er vooral bij het pascha plaats. Vele Protestanten hielden tegenover Rome staande, dat het pascha daarin geheel en al opging2). Maar dit is ongetwijfeld onjuist; het pascha was allereerst een sacrificium en daarna een sacramentum. In Ex. 12 . 27, 34: 25 heet het een nar voor den Heere; de handeling

kerk in Nederland, Troffel en Zwaard. 1905. H. H. Kuyper, Hamabdil, van de heiligheid van het genadeverbond, bl. 33 v. H. J. Olthuis, De doopspraktijk der Geref. kerken in Nederland 1568—1816. Utrecht 1908.

') ^ • Robertson Smith, Die Religion der Semiten 1899 bl. 206 v. Orelli PRE3 XIV 393.

") De Moor, Comm. V 322. Witsius, Oec. foed. IV 9, 6.

Sluiten