Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

542. De Reformatie verwierp eenstemmig de Roomsche leer van transsubstantiatie en misoffer, van asservatio, adoratio en circumgestio der hostie, van kelkonthouding en het gebruik der Latijnsche taal, maar zij ging in de positieve opvatting van het avondmaal spoedig uiteen. Luther leerde eerst, dat brood en wijn teekenen en onderpanden waren van de vergeving der zonden, welke door Christus' dood verworven was en door het geloof ontvangen werd. Maar spoedig kwam hij hierop terug en hield, vooral sedert 1524 tegen Carlstadt en Zwingli, op grond van de synecdochisch verklaarde instellingswoorden, staande, dat het lichaam van Christus overeenkomstig den wil en de almacht G-ods en zijne eigene ubiquiteit reëel en substantiëel in, met en onder het avondmaal tegenwoordig was, gelijk zijne Goddelijke in de menschelijke natuur en gelijk de warmte in het ijzer, en daarom ook lichamelijk door onwaardigen, zij het ook tot hun eigen verderf, gegeten werd *). Deze leer ging over in de Luthersche belijdenisschriften 2), en werd door de dogmatici breeder uitgewerkt 3). Maar velen waren reeds in de eeuw der Hervorming van een gansch ander gevoelen. Op voorgang van Honius 4), vatte Zwingli de woorden der instelling figuurlijk op en verklaarde het woordeke: is, door beteekent, evenals ieder telkens elders doet, bijv. Gen, 41:26, Joh. 10:9, 15:1. Brood en wijn in het avondmaal zijn dus teekenen van en herinneringen aan den dood van Christus, en de geloovigen, hierop vertrouwende, genieten in die teekenen het lichaam en bloed van Christus. Zwingli bestrijdt beslist de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal, maar hij ontkent daarmede volstrekt niet, dat Christus op geestelijke wijze tegenwoordig is voor het geloof. Integendeel, Christus wordt wel terdege in het avondmaal genoten, gelijk Joh. 6 duidelijk leert, maar Christus is in het avondmaal niet anders tegenwoordig en wordt daarin niet anders genoten dan in het woord en door het geloof, dat is op geestelijke wijze. Dit genieten van Christus bestaat in niets anders dan in

') Köstlin' Luthers Theol. I 163 v. 290 v. II 116 v. 511 v. Loofs, Dogroengesch*. 807 v. F. Graebke, Die Konstruktion der Abendmahlslehre Luthers in ihrer Entw. dargestellt. Leipzig 1907.

2) J. T. Muller, Die Symb. Bücher bl. 41, 164, 248, 320,365,499,538,645,779. ') Gerhard, Loei theol. XXI. Quenstedt, Theol. IV 176—255. Hollaz, Ex. theol. 1103—1141. Schmid, Dogm. d. ev. luth. Kirche § 55.

De Hoop Scheffer, Geseh. der Kerkhervorming I 86 v. Clemen, art. Honius in PKE3 VIII 312.

Geref. Dogmatiek IV. *

Sluiten