Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertrouwen op zijn dood. Spiritualiter edere corpus Christi nihil est aliud quam spiritu ac mente niti misericordia et bonitate Dei per Christum. En wie zoo door het geloof Christus geniet en dan ten avondmaal komt, die geniet Hem daar ook sacramentaliter in de teekenen van brood en wijn. In het avondmaal belijden wij' daarom ons geloof, spreken wij uit, wat wij door het geloof voortdurend aan Christus hebben en van Hem genieten; en wij doen dat tot Christus' gedachtenis, tot verkondiging van en dankzegging voor zijne weldaden 1).

Weldra kwam er tusschen de Duitsche en Zwitsersche Reformatie scheuring en twist, die door het religiegesprek te Marburg en door de bemiddelende pogingen van Bucer van Geref. en Melanchton van Luth. zijde niet bijgelegd werd. Men verstond elkander niet; beiderzijds werd erkend, dat Christus waarachtig, met zijne Goddelijke en menschelijke natuur, met zijn eigen lichaam en bloed in het avondmaal aanwezig was en genoten werd, maar men hechtte aan deze „waarachtige" tegenwoordigheid eene verschillende beteekenis. Toen Calvijn optrad, was er reeds aan geen verzoening meer te denken, al nam hij ook met zijne leer van het avondmaal een standpunt tusschen en boven beide partijen in. Immers staat Calvijn beslist aan Zwingli's zijde, inzoover hij alle lichamelijke, plaatselijke, substantiëele tegenwoordigheid van Christus in de teekenen van brood en wijn ten eenemale verwerpt; zulk eene tegenwoordigheid toch is in strijd met de natuur van een lichaam, met de waarachtige menschheid van Christus, met zijne hemelvaart, met den aard der gemeenschap, die tusschen Christus en de zijnen bestaat en van eene onnutte oralis manducatio hemelsbreed verschilt. Maar verder voelde Calvijn zich door Zwingli niet bevredigd; hij had vooral twee dingen op zijne avondmaalsleer tegen, 1° dat Zwingli de gave Gods in het avondmaal al te zeer laat terugtreden achter hetgeen de geloovigen daarin doen en dus het avondmaal eonzijdig opvat als eene belijdenisacte, en 2° dat hij in het eten van Christus' lichaam niet anders en hoogers ziet dan het gelooven in zijn naam, het vertrouwen op zijn dood. Daarom stelde Calvijn zich voorts aan den kant van Luther en zeide, dat Christus, ofschoon niet lichamelijk en plaatselijk, toch wel waarachtig en wezenlijk, met zijn ganschen persoon, ook met zijn lichaam en bloed, in het avondmaal

i) Zwingli, Op. II 1 bl. 426. II 2 bl. 1 v. III 239-326, 459. IV 51, 68. Loofs,

Dogmengesch4. Ï97 v.

Sluiten