Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•in het avondmaal niets hoogers zag dan een gedachtenismaaltijd, belijdenisacte, en zedelijk opvoedingsmiddel '). Door Schleiermacher, die niet alleen de leer van de Roomschen, maar ook die van de Socinianen enz. verwierp en die van Luther, Zwingli en Calvijn alle als rechtzinnig erkende, ontwaakte er echter een streven, om het avondmaal als objectief genademiddel te handhaven en er eene versterking aan toe te kennen van de levensgemeenschap met Christus. Dit geschiedde echter op zeer verschillende manieren. Sommigen gingen van het avondmaal als eene symbolische handeling en belijdenisacte uit, maar voegden er aan toe, dat de geloovigen daarin betuigden, dat zij Christus aannamen als voor zich gestorven 2). Anderen vatten het op als eene handeling der kerk, maar die naar Gods bestel dienst doet, om langs etbischen en psychologischen weg het geloof aan de vergeving der zonden en <le gemeenschap met God te versterken 3). Vele Vermittelungstheologen verwierpen de Luthersche consubstantiatie en manducatio oralis, en naderden de leer van Calvijn, als zij zeiden, dat Christus op eene geestelijke wijze in het avondmaal tegenwoordig was, gelijk als in het woord, en zichzelf en zijne weldaden, (vergeving, leven, geestelijke kracht, zaligheid) aan den geloovige meedeelde 4). De oud-Luthersche leer werd wederom voorgedragen door Scheibel, Rudelbach, Philippi 5), en door de neo-Lutheranen nog aangevuld met de theosophische voorstelling, dat Christus door brood en wijn niet alleen de ziel, maar ook rechtstreeks het lichaam voedt, door de krankheden des lichaams te genezen en den nieuwen mensch der opstanding te versterken, die in het verborgene bij den doop is ingeplant ®).

In de Engelsche kerk eindelijk nam sedert de Oxfordsche beweging de invloed van Roomsche leer, cultus en ritueel dermate

') Wegscheider, Inst. Theol. § 178—179.

2) Boedes, Leer der Zaligheid § 144 v. Id., Ned. Geloofsbel. bl. 502. Id., Heid. Catech. 352.

3) Lipsius, Dogm. § 853. Biedermann, Chr. Dogm. § 927. Pjleiderer, Grundriss § 156.

4) Kalmis, Luth. Dogm. II 330. Bomer, Chr. Gl. II 848 v. J. Muller, Dogm. Abh. bl. 467 enz.

Philippi, Kirchl. Gl. V 2 bl. 260 v. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 2 bl. 445 v. 6) Martensen, Dogm. § 265. Thomasius, Christi Person und Werk II3 327,341. Hofmann, Schriftbeweia II 2 bl. 220- Vil mar, Dogm. II 245. Rocholl, Spiritualisme und Realismus, Neue kirchl. Zeits. 1898. Verg. Luther zelf bij Köstlin II 163. 516.

Sluiten