Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijf in den hemel in strijd. Indien toch brood en wijn bij het avondmaal in Jezus' lichaam en bloed veranderd worden of deze in zich opnemen, moet dat lichaam uit den hemel neerdalen of reeds, naar de Luthersche ubiquiteitsleer »), van te voren overal aanwezig zijn. In het laatste geval is er toch nog weer een acte noodig, waardoor de tegenwoordigheid van Christus' lichaam in het avondmaal op eene bijzondere wijze teweeggebracht wordt, want de ubiquiteit is daarvoor uiteraard niet voldoende; en daarom zeiden Luther, Brenz e. a., dat het nog iets anders is, wenn Gott da ist und wenn er dir da ist. Dann aber ist er dir da, wenn er sein Wort dazu tut und bindet sich damit an und spricht: hie solist du mich finden 2). Het woord bewerkt dus bij Rome en bij Luther eene zoodanige tegenwoordigheid van Christus' lichaam en bloed in het avondmaal, dat Hij niet alleen lichamelijk in den hemel, maar ook op aarde, in de teekenen van brood en wijn aanwezig is. En deze tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal wordt bovendien dan nog zoo gedacht, dat Christus geheel, niet alleen naar zijne Goddelijke maar ook naar zijne menschelijke natuur, aanwezig is in elk avondmaal, waar en wanneer het gevierd wordt; dat Hij met zijne gansche Goddelijke en menschelijke natuur aanwezig is in elk teeken van het avondmaal, ja in elk deeltje van het brood en in eiken druppel van den wijn, totus in tota hostia et in qualibet Parte. Dit nu is eene eindelooze multiplicatie van Christus, die met de leer der Schrift over zijne menschelijke natuur, over zijne hemelvaart en over zijn verblijf in den hemel in lijnrechten strijd is. AVant zeker is die menschelijke natuur bij de opstanding en de hemelvaart verheerlijkt, maar daarom niet van hare wezenlijke eigenschappen van eindigheid en beperktheid beroofd. Jezus stelt juist het avondmaal tot zijne gedachtenis in, omdat Hij heengaat en straks niet meer lichamelijk bij zijne jongeren zal zijn, gelijk Hij elders ook uitdrukkelijk verklaart, Mt. 26 :11. En bij de hemelvaart voer Hij henen en werd Hij opgenomen, Hd. 1:9—11, in den hemel, die eene plaats is, Joh. 14 :2, 4, 17 :24, Hd. 7:56 Col. 3 : 1, Ef. 4:10, Hebr. 7 : 26, om daar te blijven tot zijne parousie, Hd. 1:11, Phil. 3:20, 1 Thess. 1:10, 4:16. 6° Al ware Christus echter in het avondmaal lichamelijk en plaatselijk tegenwoordig, men ziet niet in, waartoe dit noodig en dienstig is. Het nut der

') Verg- Sunzinger, art. Ubiquitat in PRE3 XX 182—196. *) Bij Hunzinger, t. a. p. bl. 188—189.

Geref. Dogmatiek IV.

40

Sluiten