Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreemden kan. De onsterfelijkheid der ziel schijnt van de grootste beteekenis te zijn voor godsdienst en leven; en de Schrift maakt er nooit met even zoovele woorden gewag van; zij kondigt haar nooit als eene Goddelijke openbaring af en stelt haar nergens op den voorgrond; en nog veel minder stelt zij ooit eenige poging in het werk, om hare waarheid te betoogen of deze tegenover hare tegensprekers te handhaven. Het is daarom te verklaren, dat er vroeger en later velen beweerd hebben, dat de leer van de onsterfelijkheid der ziel in het Oude Testament, of althans in de oudste boeken daarvan in het geheel niet voorkwam en eerst van buiten af onder Israël werd ingevoerd!). Maar langzamerhand is men hiervan toch teruggekeerd, en tegenwoordig erkent men algemeen, dat Israël .evenals alle volken wel terdege aan een voortbestaan na den dood heeft geloofd. Zelfs hebben in den laatsten tijd velen trachten te betoogen, dat oudtijds onder Israël evenals bij de andere volken de dooden vereerd werden, en dus ongetwijfeld gedacht werden te bestaan. De bewijzen daarvoor ontleenden zij aan het bij een sterfgeval gebruikelijke ritueel, zooals het inscheuren van kleederen en dragen van rouwgewaad, het bedekken van gelaat en hoofd, het afleggen van sieraden, bijzondere haardracht en zelfverminking, het werpen met stof en asch, het niet wasschen en zalven, het vasten en maaltijd houden, het aanheffen van klaagzangen en het brengen van offers, al welke gebruiken niet anders dan uit vroegere doodenvereering verklaarbaar zouden zijn 2). Maar Schwally moet zelf erkennen, dass in der Zeit, als Israël in die Geschichte eintritt, die animistische Naturreligion im Princip bereits iiberwunden ist s). En tegen zijne afleiding van de rouwgebruiken uit een oorspronkelijk animisme, hebben anderen zulke ernstige bezwaren in het midden gebracht, dat de hypothese van een oorspronkelijken doodencultus bij Israël eerst door andere en nieuwe bewijzen aannemelijk kan worden gemaakt 3). Toch is het duidelijk, dat er in

*) Stade, Gesch. d. Volkes Israël I 387—427. Id., Ueber die altt. Vorstellungen vom Zustande nach dem Tode 1877. Schwally, Das Leben nach dem Tode nach den Vorstellungen des alten Israël usw. Giessen 1892. Oort, De doodenvereering bij de Israelieten, Tbeol. Tijdschr. 1881 bl. 358—363. Matthes, Rouw en doodenvereering bij Israël, T.T.T. 1905 bl. 1—30. Id., Twee Israël, rouwbedrijven, ib. 1910 bl. 145—169.

2) Schically, t. a. p. bl. 75.

3) Joh. Frey Tod, Seelenglaube und Seelenkult im alten Israël. Leipzig 1898. Carl Grüneisen, Der Abnenkultus und die Urreligion Israels. Halle 1900. Meusel,

Sluiten