Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoort tot de onderste plaatsen der aarde, Ps. 63: 10, Ezech. 26 n 20, 31: 14, 32 : 18, ligt nog beneden de wateren en de grondvesten der bergen, Deut. 32 : 22, Job 26 : 5, Jes. 14 : 15, en wordt daarom meermalen door het attribuut rrrnn, onderste, versterkt, Deut. 32 : 22, Ps. 86:13, 88: 7. Daarom staat de Scheol ook met het graf of den kuil, -ap of lia, in nauw verband; beide zijn niet identisch, want gestorvenen, die niet begraven zijn, bevinden zich toch in den Scheol, Gen. 37 :33, 35, Num. 16: 32; maar evenals lichaam en ziel den éénen mensch vormen en ook na den dood nog in eenige wederkeerige relatie gedacht worden, zoo zijn graf en Scheol niet los van elkander te denken. Beide behooren tot de onderste plaatsen der aarde, worden voorgesteld als de woning der dooden, en wisselen met elkander herhaaldelijk af; de Scheol is het ééne groote graf, dat alle graven der gestorvenen omvat; het rijk der dooden, de onderwereld, en daarom ten onrechte in onze Statenvertaling dikwerf door hel overgezet. De Scheol toch is de plaats, waar alle gestorvenen zonder uitzondering saamkomen, 1 Kon. 2 : 2, Job 3 :13v., 30 : 23, Ps. 89 : 49, Jes. 14: 9v. Ezech. 32 : 18, Hab. 2:5, en waaruit terugkeer niet dan alleen door een wonder mogelijk is, 1 Kon. 17 :22, 2 Kon. 4: 34r 13:21; het doodenrijk is als het ware eene stad, die van gegrendelde poorten is voorzien, Ps. 9 :14, 107 : 18, Job 17 : 16 (tot de grendels der onderwereld daalt mijne hope af), 38: 17, Jes. 38: 10, Mt. 16 :18, en door haar macht, Ps. 49 :16, 89 : 49, Hos. 13 :14,. alle menschen als in een kerker gevangen houdt, Jes. 24:22. De Scheol is een eeuwig huis, Pred. 12 :5; de vijanden van Israël, die er in nedergestort zijn, kunnen niet wederopstaan, Jes. 26: 14; wie in het graf daalt, komt niet weder op, Job 7 : 9, 10, 14 : 7—12, 16 :22. Lijnrecht staat dit doodenrijk daarom tegen het land der levenden over, Job 28 :13, Spr. 15 : 24, Ezech. 26 : 20, 32 : 23v. Wel worden de gestorvenen als bestaande en levende gedacht; zij worden dikwerf zoo voorgesteld en beschreven, als zij hier op aarde zich vertoonden, en worden daarom ook door elkander herkend, en bij de ontmoeting ontroerd, 1 Sam. 18: 14, Jes. 14: 9v., Ezech. 32 :18v. Ook is er sprake van binnenste, diep naar binnen gelegen kameren in den Scheol, Spr. 7 :27, Ezech. 32 : 23, en bestaat er in zoover onder de gestorvenen onderscheid, als elk tot zijne vaderen, Gen. 15 :15, Richt. 2 :10, of tot zijn volk, Gen. 25 : 8, 17, 35 : 29, 49 :29, verzameld wordt, en de onbesnedenen bij elkander worden gelegd, Ezech. 32 :19. Maar overigens wordt de Scheol altijd van

Sluiten