Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne negatieve zijde, in tegenstelling met de aarde als het land der levenden, beschreven. Hij is het gebied der duisternis en der doodsschaduw, Job 10:21, 22, Ps. 88:13, 143:8, de plaats des verderfs, ja het verderf zelf, Job 26:6, 28:22, 31:12, Ps.

88 : 12, Spr. 27 : 20, zonder ordeningen, d. i. zonder vaste omtrekken en klare onderscheidingen, Job 10: 22, een land der rust, der stilte der vergetelheid, Job 3 :13, 17, 18, Ps. 115 :17, waar God en menschen niet meer te zien zijn, Jes. 38: 11, God niet meer geprezen en gedankt, Ps. 6:6, 115:17, zijne deugden niet meer verkondigd Ps. 88 : 6, 12, 13, Jes. 38 :18, 19, en zijne wonderen niet meer aanschouwd worden, Ps. 88 :11, 13, waar de dooden niet met al weten geen werk meer doen, geen berekening meer maken, geen wijsheid en wetenschap meer bezitten en hoegenaamd geen deel meer hebben aan alwat onder de zon geschiedt, Pred. 9:5, 6, 10. Zij zijn e-s-r van het adjectief slap, Job 26 : 5, Spr. 2 : 18, 9 :18, 21: 6, Ps. 88 : 11, Jes. 14:9, verzwakt, Jes. 14:10, zonder kracht, Ps. 88-5

Heel deze voorstelling van den Scheol is gevormd van uit'het standpunt van dit aardsche bestaan, en geldt slechts in tegenstelling met den rijkdom van leven, welken de mensch hier op aarde geniet. Dan is het sterven inderdaad eene verbreking van alle aardsche banden, een dood-zijn voor het rijke leven op aarde een rusten, een slapen, een stil-zijn, een niet-zijn in betrekking tot de dmgen aan deze zijde des grafs. De toestand in den Scheol is geene vernietiging van het bestaan, maar toch eene vreeseliike levensvermindering, eene berooving van alwat in dit leven de vreugde des levens uitmaakt. Voor eene beschouwing, die alleen et lichaam sterven laat en zich troost met de onsterfelijkheid der ziel is in het O. Test. geen plaats. De gansche mensch sterft, als bij den dood de geest, Ps. 146:4, Pred. 12:7, of de ziel, Gen 3518, 2 Sam. 1: 9, 1 Kon. 17:21, Jon. 4:3, uit den mensch uitgaat i iet alleen zijn lichaam, maar ook zijne ziel verkeert in den staat des doods en behoort der onderwereld toe; daarom kan er ook van een sterven der ziel gesproken worden, Gen. 37: 21 Num 23 • 10 Deut. 22 : 20, Richt. 16 : 30, Job 36 :14, Ps. 78 : 50, en van verontreiniging door aanraking van de ziel van een doode, d. i. van een

Ï' iLTT' 19 : 28' 21 : n' 22 : 4' Num" 5 : 2' 6 : 6> 9 : 6> 7' 10> Deut.

14:1, Hagg. 2 :13. Gelijk de gansche mensch in den weg der gehoorzaamheid voor het leven bestemd was, zoo vervalt hij ook door zijne oveitieding geheel, naar ziel en lichaam beide, aan den dood, en. 2 . 17. Deze gedachte moest diep ingeprent worden in het be-

Sluiten