Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oceaan in eene plaats, die door geen regen, sneeuw of hitte wordt geplaagd, maar de slechte moeten in een duister, koud oord altijddurende pijnen lijden 1).

Op het voetspoor van wet en profeten, wijdt het N. Test. veel meer aandacht aan de algemeene dan aan de bijzondere eschatologie. Toch is het onjuist, zoowel om met Episcopius en anderen2) te beweren, dat de Schrift over den tusschentoestand zoo goed als niets zegt of althans geene voor ons geldende leer bevat, als om met Kliefoth 3) het er voor te houden, dat het N. T. daarover waarschijnlijk alles zegt, wat erover te zeggen valt. Immers ontbreekt het niet aan uitspraken, die over den tusschentoestand zooveel licht verspreiden, als ons in en voor dit leven van noode is. Sterker nog dan het Oude, doet het N. T. uitkomen, dat de dood een gevolg en straf der zonde is, Rom. 5 :12, 6 : 23, 8:10, 1 Cor. 15 : 21; en die dood strekt zich tot alle menschen uit, 1 Cor. 15:22, Hebr. 9 :27; slechts een enkele, als Henoch, is weggenomen, opdat hij den dood niet zien zoude, Hebr. 11:5; en ook zij, die de parousie van Christus beleven, worden ineens veranderd zonder tusschenkomst van den dood, 1 Cor. 15:51, 1 Thess. 4:14—17, cf. Joh. 21:22, 23, zoodat Christus oordeelen zal niet alleen de dooden, maar ook de levenden, Hd. 10 : 42, 2 Tim. 4:1,1 Petr. 4 : 5. Maar die dood is het einde des menschen niet; de ziel kan niet gedood worden, Mt. 10:28, het lichaam wordt eens weder opgewekt, Joh. 5 : 28, 29, Hd. 23 : 6, Op. 20:12, 13, en de geloovigen zijn zelfs een eeuwig leven deelachtig, dat niet sterven kan, Joh. 3:36, 11:25. Alle gestorvenen bevinden zich tot de opstanding toe ook volgens het N. T. in den hades, die het rijk der dooden is. In Mt. 11:22, Luk. 10: 15 geeft de xarafiaaig êoog ctöov te kennen, dat het trotsche Kapernaum ten diepste vernederd zal worden. In Mt. 16 : 18 belooft Jezus aau zijne gemeente, dat de nvlai aóov over haar geene macht zullen hebben, dat de dood over haar niet triumfeeren

') Josephus, Bell. Jud. II 8, 11, en verg. verder over de eschatologie bij de Joden, Gröbler, Die Ansichten über Unsterbl. u. Auferst. in der jüd. Lit. der beiden letzten Jahrh. v. Chr., Stud. u. Krit. 1879 bl. 651—700. IT iinsche, Die Vorst. v. Zustande nach dem Tode nach Apokr., Talmud und Kirchenvatern, Jahrb. f. prot. Theol. 1880 bl. 355—383, 435—523. Schwally, Das Leben nach dem Tode bl. 131—192. Atzberger, Christl. Eschatologie bl. 96—156 enz.

2) Episcopius, Op. II 2 bl. 455. Limborch, Theol. Christ. VI 10, 4. Oertel, Hades bl. 4—6. Schleiermacher, Chr. Gl. § 159, 2. Hofmann, Schriftbewois III 462.

3) Kliefoth, Eschatologie bl. 37.

Sluiten