Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verband gebracht, die het eerst door Origenes werd uitgespoken. Volgens hem waren alle straften geneesmiddelen, (paq^iaxa, en heel de hades, de gehenna inbegrepen, eene plaats der reiniging '), en bepaaldelijk werden de zonden verteerd en de menschen gereinigd door het ttvq xaiïccQGiov, dat aan het einde van deze bedeeling de wereld in vlam zetteD zou2). Op het voetspoor van Origenes namen daarom de Grieksche theologen later aan, dat de zielen van vele afgestorvenen nog wel smarten moesten lijden en daarvan alleen door de voorbeden en offeranden der levenden konden worden verlost 3), maar zij hielden toch bezwaar tegen een bijzonder reinigingsvuur, gelijk de Westersehe kerk dat leerde; eerst op het concilie te Florence deed men op dit punt eenige concessie 4). In het Westen daarentegen werd het reinigingsvuur, waarvan Origenes gesproken had, uit het eindgericht naar den tusschentoestand overgebracht. Augustinus zeide soms, dat na de algemeene opstanding of bij het laatste oordeel nog eenige poenae purgatoriae werden opgelegd 3). Maar toch laat hij de ontwikkeling van het Godsrijk gewoonlijk met het laatste oordeel sluiten, en acht het daarom niet onmogelijk, nonnullos fideles per ignem quendam purgatorium, quanto magis minusve bona pereuntia dilexerunt, tanto tardius citiusve salvari6). Caesarius van Arles en Gregorius Magnus werkten dit zoo uit, dat bepaaldelijk de peccata venialia hier of hiernamaals konden worden geboet. En toen met deze leer de reeds door Tertullianus7) vermelde kerkelijke practijk, om voor de gestorvenen voorbeden en offeranden te doen, in verband werd gebracht, was het dogma van het vagevuur voltooid. De scholastiek gaf er breeder ontwikkeling aan 8), het concilie te Florence 1439 en te Trente stelde het vast 9), en de latere theologie gaf er voor het godsdien-

') Origenes, c. Cels. III 75, VI 25. 26.

2) t. a. p. VI 12, 13, 21, 64 V 15, 16. Yerg. G. Anrich, Clemens und Origenes als Begründer der Lehre vom Fegfeuer (Theol. Abhandl. Eine Festgabe zum 17 Mai 1902 H. J. Holtzmann dargebracht. Tiibingen 1002 bl. 97—120). liud. Hofmann, art. Fegfeuer in PRE3 V 788—792.

3) Conf. orthod. qu. 64—68.

4) Münscher—von Coelln, D. G. II 313. Schwane, D. G. II 587. III486. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 327.

5) Augustinus, de civ. XX 25. XXI 24.

6) Enchir. 69.

7) Tertullianus, de monog. 10, 11 de exhort. cast. 11.

8) Zie de boven deze § aangehaalde werken van Lombardus enz.

9) Conc. Trid. VI can. 30. XXII c. 2 can. 3. XXV.

Sluiten