Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werken en aflaten. AVel weet niemand, welke zielen bepaald in liet vagevuur komen, hoelang zij er blijven moeten en onder welke voorwaarden harerzijds de gebeden en offeranden der levenden haar ten goede komen; maar deze onzekerheid doet aan den cultus der gestorvenen geen schade. Want hoe langer hoe meer geldt alsregel, dat op enkele uitzonderingen na, zooals martelaars en bijzondere heiligen, de groote massa der geloovigen eerst in het vagevuur komt. In elk geval zijn zij de levenden, die ook door dat purgatorium heen naar den hemel moeten gaan, ver vooruit; arme zielen eenerzijds, zijn zij toch, van een anderen kant beschouwdr gebenedijde zielen, die met de engelen en de zaligen door de levenden in nood om hulp worden aangeroepen 1).

553. De Reformatie zag in dit vagevuur eene beperking van de verdiensten van Christus en leerde krachtens haar beginsel van de rechtvaardiging uit het geloof alleen, dat de mensch terstond na een judicium particulare in agone mortis inging in de zaligheid des hemels of in het verderf der hel. Luther zelf stelde den tusschentoestand der vromen nog dikwerf als een slaap voor, waarin zij rustig en stil de toekomst des Heeren verbeidden2), maar latere Luthersche theologen wischten het onderscheid van tusschentoestand en eindtoestand schier geheel uit en zeiden, dat de zielen der vromen terstond na den dood eene plena et essentialis beatitudo genoten en die der goddeloozen terstond eene perfecta ac cousummata damnatio ontvingen 3). In hoofdzaak was dat nu ook wel het gevoelen der Gereformeerden 4). Maar gewoonlijk lieten zij toch beter dan de Lutherschen het verschil uitkomen, dat in den toestand der gestorvenen vóór en na den jongsten dag bestond. Calvijn zeide in zijn geschrift over de psychopannychie, dat schoot Abrahams niet anders wilde zeggen, dan dat de zielen der vromen na den

') Catech. Rom. I c. 6 qu. 3. Verg. verder over het vagevuur de boven aangehaalde werken en voorts nog Möhler, Symbolik § 23. Faure, Die Tröstungen des Fegfeuers. Nach den Schriften der Kirchenlehrer u. d. Offenbarungen der Heiligen 1901. F. Schmid, Der Fegfeuer nach kath. Lehre. Brixen 1904. M. Landau, Holle und Fegfeuer in Volksglaube, Dichtung und Kirchenlehre. Heidelberg 1910.

2) Köstlin, Luthers Theol. II 568.

3) Gerhard, Loc. Theol. XXVI 160, 191. Quenstedt, Theol. IV 540, 567. Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 63.

4, Catech. Heidelb. 57, 58. N<)d. Gel. 37. Helv. II 26. Westm. c. 32. Juniusy Theses Theol. 55, 56. Voetius, Disp. V 533—539.

Sluiten