Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijde des grafs hebben gezien en gehoord. Want afgezien van de mogelijkheid, dat zij wel het een en ander hebben medegedeeld, hetwelk in de Schrift niet is opgeteekend, is het allerwaarschijnlijkst, dat zij ons niets hebben mogen en kunnen berichten van hunne ervaringen aan de overzijde des grafs. Wij hebben aan Mozes en de profeten genoeg, Luk. 16:29; en Paulus kon, nadat hij opgetrokken was geweest in den derden hemel, niets anders zeggen, dan dat hij onuitsprekelijke woorden had gehoord, welke het een mensch niet geoorloofd is te spreken l).

556. Anderen zijn van meening, dat de zielen na den dood eene nieuwe lichamelijkheid ontvangen en daardoor weer met de buitenwereld in gemeenschap kunnen treden. Voor dit gevoelen beroept men zich daarop, dat van het leven en de werkzaamheid der ziel zonder lichaam geen voorstelling te vormen is, en voorts op die plaatsen der Schrift, welke aan de zielen der gestorvenen eene zekere lichamelijkheid schijnen toe te kennen. De bewoners van het doodenrijk worden juist zoo beschreven, als zij er op aarde hebben uitgezien. Samuel wordt voorgesteld als een oud man met een mantel bekleed, 1 Sam. 28:14; de koningen der Heidenen zitten op tronen en gaan den koning van Babel tegemoet, Jes. 14:9; de Heidenen liggen er als onbesnedenen neer, Ezech. 31:18, 32 :19v. Jezus spreekt bij de gestorvenen nog van oogen en vingers en tong, Luk. 16 : 23, 24. Paulus verwacht, dat, zoo het aardsche huis des tabernakels gebroken wordt, hij een gebouw van God hebben zal en niet ontkleed maar overkleed zal worden, 2 Cor. 5:1—4. En Johannes zag eene groote schare, staande voor den troon en het Lam, bekleed met lange, witte kleederen en met palmtakken in hunne handen, Openb. 6:11, 7:9. Maar 1° is uit deze spreekwijze der H. Schrift niets af te leiden voor de lichamelijkheid der zielen na den dood. Want zij kan van God en de engelen, van de zielen in het doodenrijk, van de vreugde in den hemel en de smart in de hel niet anders spreken dan in menschelijke taal, onder beelden,

*) Verg. voorts tegen de leer van den zieleslaap: Tertullianus, de an. 58. Calvijn, Psychopannychia, C. E. 33, 177—232. Bullinger, Huisboek, Pee. 4 serm. 10. Cloppenburg, Op. II 413—417. Voetius, Disp. I 832—835. Witsius, Oec. foed. III 14, 18—22. De Moor VI 594—602. M. Vitringa IV 82—86. Gerhard, Loc. XXVI 293. Delitzsch, Bibl. Psych2. 419. Splittgerber, Tod, Fortleben und Auferstehung3 102. Rinck, Vom Zustande nach dem Tode 1885 bi. 19. Kliefoth, Christl. Eschatologie 1886 bl. 66. Atzberger, Die christl. Eschatol. 212.

Sluiten