Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zamerhand werd er onderscheid gemaakt tusschen die zielen, welke terstond in den hemel werden opgenomen, en andere, die nog een tijd larig in het purgatorium vêrtoeven moesten. De gemeenschap met de eerste werd daarop allengs geoefend door aanroeping en vereering, die met de tweede door voorbeden, goede werken, aflaten en zielmissen x), enz. In den oud-katholieken zin, als bede tot God, dat Hij de zaligheid der in Christus ontslapenen vermeerderen en hunne gebeden voor de levenden aannemen mocht, en tevens als gedachtenisviering van en gemeenschapsoefening met de afgestorvenen, werd de voorbede voor de dooden ook goedgekeurd door de Grieken, de Lutherschen, Grotius, door vele Anglikanen en nieuwere theologen 2). Maar de Gereformeerden verwierpen die voorbede voor de afgestorvenen, wijl hun lot bij den dood onveranderlijk beslist was 8). In Oud of Nieuw Testament is er dan ook met geen woord van zulk een voorbede sprake. De eenige plaats, waarop men zich beroepen kan, is 1 Cor. 15:29, waar Paulus melding maakt van zulken, die zich lieten doopen vttsq vsxqwv. Er is hier echter niet uit af te leiden, dat zulk een doop door de levenden ondergaan werd, opdat hij den gestorvenen ten goede zou komen. Want er is geen enkel bewijs, dat zoodanig gebruik in den tijd van Paulus of later voorkwam. AVel melden Tertullianus e. a., dat deze gewoonte bij de volgelingen van Cerinthus en Marcion gevonden werd, maar ten eerste is de juistheid van dit bericht volstrekt niet boven allen twijfel verheven, en ten andere zou er uit volgen, dat het een kettersch gebruik was, hetwelk in de Christelijke kerk nooit bestaan heeft of ingang vond. Wie den tekst wilde laten gelden als bewijs voor het recht, om voor dooden te bidden, zou allereerst beginnen moeten, om levenden ten behoeve van gestorvenen te doopen. Paulus zegt echter ook niet, dat de levenden zich voor de dooden lieten doopen, opdat die doop den gestorvenen ten goede zou komen. De dooden worden door Paulus voorgesteld als het motief, waarom de levenden zich lieten doopen. Omdat zij, die in Christus ontslapen

Conc. Trid. XXII c. 2, 3. XXV. Bellarminus, de purgat. 1115—18. Perrone, Prael. VI 289 VIII 29. Simar, Dogm 900 enz.

*) Verg. M. Vitringa, Doctr. IV 79, 80. VIII 509, 515. Franz, Das Gebet für die Todten in seinem Zusammenhange mit Kultus und Lehre nach den Schriften des b. Aug. Xordhausen 1857. K. M. Leibbrand, Das Gebet für die Todten in der evang. Kirche. Stuttgart 1864.

3) Suicerus s. v. za<prj. De Moor, Comm. V 30—32.

Geref. Dogmatiek IV. . ~

Sluiten