Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedoeld, dan dat ook vele Christenen uit de Joden in de groote verdrukking zullen staande blijven en onder de schare voor Gods troon een eigen plaats zullen innemen; maar er wordt volstrekt niet gezegd, dat zij opstaan en in Jeruzalem wonen zullen. De Christenen zyn de echte Joden, en de Joden, die zich verharden in hun ongeloof, zijn eene synagoge des Satans, 2 : 9. Al heet misschien het aardsche Jeruzalem nog eene enkele maal de heilige stad en de tempel aldaar de tempel Gods, 11:1, 2, toch wordt dat Jeruzalem in geestelijken zin Sodom en Egypte genoemd, 11:8; het echte Jeruzalem is boven, 3: 12, 21:2, 10, en daar is ook de tempel Gods, 3:12, 7 :15, 11:19 enz., en de ark, 11:16 en het altaar, 6:9, 8:3, 5, 9 :13, 14:18, 16 : 7. En dat Jeruzalem daalt niet reeds in Op. 20, maar eerst in Op. 21 op aarde neer. 2° Het leven en heerschen der in de groote verdrukking trouw gebleven geloovigen heeft niet op aarde, maar in den hemel plaats. Van de aarde is met geen woord sprake. Johannes ziet den engel, die Satan bindt, uit den hemel opkomen, 20:1; de tronen, die hij aanschouwt, 20:4, bevinden zich in den hemel, 4:4, 11:16; en de zielen der martelaren worden door Johannes hier, 20:4, evenals overal elders in den hemel gezien, 6:9, 7:9, 14, 15, 11:12, 14 :1—5, 18 : 20, 19 : 1—8. De geloovigen zijn reeds op aarde door Christus Gode tot koningen en priesters gemaakt. 1:6; zij zijn dit in den hemel, 5:10, en verwachten, dat zij het eenmaal ook op aarde zullen zijn, 5:10, maar deze verwachting wordt eerst in het nieuwe Jeruzalem, dat van boven neerdaalt, vervuld; dan zullen zij koningen zijn in der eeuwigheid, 22:5. Thans echter, in den hemel, is hun koningschap tijdelijk, het duurt duizend jaren. 3° Ook weet Johannes niet van eene eerste lichamelijke opstanding, die aan het duizendjarig rijk vooraf zou gaan, en eene tweede, die daarop volgen zou. Nergens wordt in de Schrift zulk eene eerste opstanding geleerd. Wel is er sprake van eene geestelijke opstanding uit de zonde, Joh. 4: 25, 26, Rom. 6:4 enz. Ook is er eene avaGTccGig sx vsxgcor, die op enkele gevallen ziet, zooals de opstanding van Christus, 1 Petr. 1:3, cf. Hd. 26 : 23, 1 Cor. 15 : 23, of alleen op de geloovigen betrekking heeft, Luk. 20: 35, 36, Hd. 4:2, maar in dit geval volstrekt niet temporeel door een duizendjarig rijk van de algemeene uvaaiarru vtxQoiv onderscheiden is, Mt. 22:31, Joh. 5:28, 29, Hd. 24:15, 1 Cor. 15 :13, 42. Wel heeft men dit in 1 Cor. 15:20—28 en 1 Thess. 4: 13—18 meenen te vinden, maar ten onrechte. In 1 Cor.

Sluiten