Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijner parousie gesproken wordt. Eene gansche reeks van plaatsen stelt deze parousie zeer nabij. Jezus knoopt de profetie van. de voleinding der eeuwen onmiddellijk vast aan die van de verwoesting van Jeruzalem, Mt. 24:29 c. parall. Paulus acht het mogelijk, dat hij en zijne medegeloovigen de parousie van Christus nog beleven zullen, 1 Thess. 4:15, 1 Cor. 15:51. En alle apostelen zeggen, dat zij zijn in den laatsten tijd, dat de toekomst des Heeren nabij is, en ontleenen daaraan eene drangrede tot waakzaamheid, Hom. 13 :11, 1 Cor. 10 :11, Hebr. 3 :14, 6 : 11, 10 : 25, 37, Jak. 5 : 7—9, 1 Petr. 1:6, 20, 4 :17, 5 :10, 1 Joh. 2 : 18, Op. 1:3, 3 : 11, 20, "22 : 7, 10, 12, 20. Er is in de opvatting van deze Nieuwtest. verwachting aangaande de spoedige wederkomst van Christus zoowel aan de eene als aan de andere zijde gedwaald. Het N. Testament bevat volstrekt geen leer over den tijd van Christus' wederkomst. Het stelt in geen en deele vast, dat die wederkomst nog vóór of onmiddellijk na de verwoesting van Jeruzalem plaats hebben zal. "Wel is dit door velen uit Mt. 10: 23, 16 : 28, 24 : 34, 26 : 64 c. parall. afgeleid, maar ten onrechte. Want het is voor geen redelijken twijfel vatbaar, dat Jezus van zijn komen in verschillenden zin heeft gesproken. In Joh. 14:18—24, cf. 16 : lb—24 spreekt Hij tot zijne discipelen van zijn komen in den Geest na den Pinksterdag of volgens andere uitleggers van zijn komen na de opstanding, wanneer Hij weder voor een kleinen tijd aan zijne jongeren verschijnen zal. In Mt. 26: 64 bevestigde Jezus voor den hoogen raad niet alleen zijn Messiasschap met een eed, maar zeide Hij ook, dat Hij hen hiervan overtuigen zou, doordat zij Hem van nu aan, ■diraQTi, zouden zien zitten aan de rechterhand van Gods kracht en zouden zien komen op de wolken des hemels. Yan een dergelijk komen in zijne heerlijkheid is ook elders sprake. Mt. 16:28, cf. Mk. 9 :1, Luk. 9 : 27, verheft dit boven alle bedenking. Jezus zegt daar, dat sommigen van zijne omstanders den dood niet zullen smaken, totdat zij den Zoon des menschen hebben zien komen in zijn koninkrijk. Vlak vooraf had hij vermaand, om vooral op redding der ziel bedacht te zijn; en Hij drong deze vermaning aan met te zeggen, dat de Zoon des menschen komen zou, met Goddelijke heerlijkheid bekleed, en dan een ieder naar zijne werken zou vergelden. Maar zóó lang, voegt Hij er in vs. 38 als het ware verklarend aan toe, zal dit zelfs niet duren, want nog voordat al zijne omstanders gestorven zijn, komt de Zoon des menschen reeds in zijn koninkrijk, ■êv TTj fiaGGiksiK uvtoVj dat is, met de koninklijke macht en waardig-

Sluiten