Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten vertrok buitenslands voor een langen tijd, Mt. 25 : 5, 13, 19. Onkruid en tarwe moesten samen opgroeien tot den dag des oogstes, Mt. 13:30. Het mostaardzaad moet tot een boom worden, en de zuurdeesem alles doorzuren, Mt. 13:32, 33. Ja, Jezus zegt uitdrukkelijk, bij gelegenheid dat Hij over zijne parousie handelt, dat de dag en de ure van zijne komst aan niemand, aan engelen noch menschen, ja, zelfs niet aan den Zoon bekend is, Mk. 13 :32, en getuigt nog na zijne opstanding, dat de Yader de tijden en gelegenheden voor de oprichting van zijn koninkrijk in zijne macht heeft gesteld, Hd. 1:7. En desgelijks spreken al de apostelen; Christus komt als een dief in den nacht, 1 Thess. 5:1, 2, 2 Petr. 3:10, Op. 3:3, 16:15; Hij verschijnt niet, dan nadat eerst de antichrist gekomen zij, 2 Thess. 2:2.v; de opstanding heeft plaats in eene vaste orde, eerst van Christus, daarna die van de geloovigen in zijne toekomst, 1 Cor. 15:23; en die toekomst toeft, wijl de Heere een anderen maatstaf voor den tijd heeft dan wij en in zijne lankmoedigheid wil, dat allen tot bekeering komen, 2 Petr. 3:8, 9.

Even sober als over den tijd spreekt de H. Schrift over de wijze van Jezus' wederkomst. De tweede komst van Christus wordt in het N. T. dikwerf aangeduid met den naam van nagovaicc, hetzij absoluut, Mt. 24: 3, hetzij nader omschreven als naqovaicc rov viov rov ccvd-oamov of TragovGia tov xvqiov ^/xtov Irpov Xqigtov, Mt. 24: 27, 37, 39, 1 Thess. 3 :13, 4 : 15, 5 : 23, enz., of naQovGicc zrjg tov i'J-eov fiieoag, 2 Petr. 3 :12. Het woord sluit eigenlijk niet het begrip van wederkomst in, maar duidt aan, dat Jezus, na een tijd lang afwezig en verborgen te zijn geweest, Hd. 3 :21, Col. 3:3, 4, en daarna op nieuw gekomen te zijn, Mt. 16 : 27, 24 : 30 enz., cf. Luk. 19 :12, 15, weder aanwezig en tegenwoordig zal zijn en dan aanwezig zal blijven. Daarom wisselt het ook af met e'mcpavsia, Mt. 24 : 30, 1 Tim. 6 : 14, Tit. 2 : 13, dnoxahvipig, Luk. 17 : 30, 1 Cor. 1:7, 2 Thess. 1: 7, 1 Petr. 1:7, 13, (fuvsquGig, Col. 3 :4, 1 Petr. 5:4, 1 Joh. 2:28; in 2 Thess. 2:8 wordt zelfs gesproken van r snKf uvsia rrjg naqovaiug avxov. Deze parousie is een werk Gods, in zoover deze zijnen Christus zenden zal en daarvoor de tijden en gelegenheden bepaalt, Hd. 1: 7, 3 : 20, 1 Tim. 6 : 14—16, maar zij is ook eene daad van Christus zei ven, als Zoon des menschen, wien door den Vader het oordeel gegeven is en die als koning heerschen moet, totdat alle vijanden onder zijne voeten gelegd zijn, Joh. 5:27, 1 Cor. 15:25. Wijl Hij bij zijn heengaan van de aarde

Sluiten