Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sus hun verblijfplaats zijn, en de straffe van het eeuwige vuur of de donkerheid der duisternis nog voor hen bewaard wordt, Mt. 8 vs. 29, 25:41, 46, 2 Petr. 2 : 17, Jud. 13. In die gehenna toch brandt het eeuwige, onuitblusschelijke vuur, Mt. 18:8, Mk. 9 :43, 44, 48, knaagt de worm, die niet sterft, Mk. 9:44, 48, en is er «ene eeuwige pijniging, Mt. 25:46, 2 Thess. 1:9, Op. 14:11; het is een yssvva of xa/iivog tov tcVQog, Mt. 5 : 22, 13 : 42, 50, 18 : 9, en tevens eene plaats der uiterste en buitenste duisternis, Mt. 8: 12, 22:13, 25 : 30, 2 Petr. 2 :17, Jud. 13, cf. Deut. 5 : 22, Ps. 97 : 2, 3, buiten gelegen, Op. 22 :15, in de diepte, zoodat men erin geworpen wordt, Mt. 5: 29, 30, Op. 19 :20, 20:10, 14, 15, ver van de bruiloftstafel des Lams, Mt. 8 : 11, 12, 22 : 13, ver van de gemeenschap met God en met Christus, Mt. 7:23, 25:41, Luk. 13:27, 28, 2 Thess. 1:9, in het gezelschap van Satan en zijne engelen, Mt. 25 vs. 41, Op. 20:10, 15. De toorn Gods openbaart zich daar in al zijne verschrikkelijkheid, Rom. 2 : 5—8, 9 : 22, 1 Thess. 1: 10, Hebr. 10:31, Op. 6:16, 17, zoodat de gehenna niet alleen een oord is van gemis, maar ook van smart en pijn, beide naar ziel en naar lichaam, eene plaats van xo^aaig, Mt. 25:46, Op. 14:10, 11, van xkavibfiog en og tcav, óóovtwv, Mt. 8: 12, 13 :42 enz., van

S-Xitpig en GTsroywQta, Rom. 2 : 9, 2 Thess. 1: 6, van anwlsia, Mt. 7 :13, Rom. 9 : 22, Phil. 1: 28, 3 : 19, 2 Petr. 3 : 7, Op. 17 : 8, 11, van y&oQcc, Gal. 6 : 8, óXe&Qog, 1 Thess. 5 : 3, 2 Thess. 1: 9, 1 Tim. 6:9; de gehenna is het gebied van den tweeden dood, Op. 2:11, 20 : 6, 14, 15, 21:8.

Op dezen vasten grond der Schrift werd in de Christelijke kerk de leer van de eeuwigheid der helsche straf gebouwd; en theologie en prediking, poezie en schilderkunst wedijverden menigmaal met elkaar in plastische beschrijving en realistische teekening van de pijnen, welke daar naar lichaam en ziel in het eeuwige vuur werden geleden. Maar van tijd tot tijd werden er toch bezwaren tegen deze leer ingebracht. En sedert de Aufklarung in de achttiende eeuw eene zachtere beoordeeling van zonde en misdaad deed opkomen, de pijnbanken afschafte, de straffen matigde en allerwege een gevoel van humaniteit ontwaken deed, kwam er ook een gansch andere beschouwing over de straffen der hel en werden deze door velen of gewijzigd voorgesteld of ganschelijk verworpen. De gronden, waarop de eeuwigheid der helsche straf bestreden wordt, komen dan altijd hierop neer: a. eeuwige straf strijdt met de goedheid, de liefde, de barmhartigheid Gods en maakt Hem tot een

Sluiten