Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaande bekeering en loutering tot de leer van de zoogenaamde universalisten, die meenen, dat aan het einde alle schepselen de zaligheid en de heerlijkheid deelachtig zullen worden. Wat daar gewenscht en gehoopt wordt, wordt hier zeker verwacht en als dogma verkondigd. De leer van den terugkeer aller dingen in God komt reeds voor in de Indische en Grieksche philosophie, ging vandaar over in Gnosticisme en Neoplatonisme en werd dan het eerst in de Christelijke theologie voorgedragen door Origenes. Deze spreekt wel herhaaldelijk van eene eeuwige straf in de hel, maar ziet daarin toch slechts eene practische leer, die voor de onontwikkelden noodig is doch door de gnostici geheel anders opgevat wordt. Volgens Origenes toch zijn alle geesten oorspronkelijk door God gelijk geschapen, doch de daden van den vrijen wil brengen ongelijkheid en veroorzaken, dat de zielen der menschen ter loutering in eene stoffelijke wereld verplaatst en aan lichamen verbonden worden. Doch deze loutering zet ook na den dood en na het eindgericht zich voort, totdat uit en door de grootst mogelijke verscheidenheid de gelijkheid weer te voorschijn treedt en alle geesten weder tot God terugkeeren in dienzelfden toestand, waarin zij oorspronkelijk bij Hem verkeerden. Wijl echter de vrije wil altijd dezelfde blijft, kan hij evengoed als van het kwade tot het goede, zoo weder van het goede tot het kwade terugkeeren, en is er dus eene voortdurende wisseling van afval en wederbrenging aller dingen, eene eindlooze schepping en vernietiging der stoffelijke wereld 1). Deze gedachte van de wederherstelling aller dingen vond in de oudheid weerklank bij Gregorius Naz., Gregorius Nyss., Didymus, Diodoius van Tarsus, Theodorus van Mopsuestia e. a. 2), in de Middeleeuwen bij Scotus Erigena, Amalrik van Bena en de broeders- en zusters van den vrijen geest, na de Hervorming bij Denck en vele AVederdoopers, bij Jane Leade, J. W. Petersen, Lud-

door de vijf professoren van Andover College, Churehhill, Harris, Hinck», Tucker «n Egb. C. Smith, die van verschillende artikelen der belijdenis afweken, ook van dat aangaande de eeuwige straf, cf. Andover Review April 1890 bl. 434 enz. Hierbij kan ook nog gevoegd worden het oordeel van hen, die de gegevens der H. Schrift te onzeker vinden, om er eene vaste conclusie op te bouwen en die daarom van eene besliste uitspraak in eene of andere richting zich onthouden, Orr, The Christian view of God and the world bl. 397. Girgensohn, Zwölf Reden iiber die Christl. Religion. Miinchen 1906 bl. 376.

*) Atzberger, Gesch. d. Christl. Eschat. 1896 bl. 366—456.

Petavius, de angelis III 7, 8.

Sluiten