Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de poena damni is gelijk, maar de poena sensus verschilt; een ieder ontvangt naar zijne werken, Mt. 10 : 15, 11: 24, 2o : 14, 24 . 51, u . 10 ' 12 14 12 : 46, 47, 2 Cor. 5 :10 enz. En daarin spreekt zich nog

iets van Gods barmhartigheid uit >). Alle zonde staat absoluut tegen de gerechtigheid over, maar toch rekent God bij de straf met het relatief verschil, dat tusschen de zonden bestaat; er is eindelooze verscheidenheid ook aan de overzijde des grafs 2). God^ gerechtigheid betoont zich in de eeuwige straf toch altijd zoo, dat zijne goedheid en liefde ongeschonden blijven en nooit rechtmatig kunnen worden aangeklaagd. Ook in de hel geldt het woord, dat Hij de menschen niet van harte plaagt, Klaagl. 3 : 33; de smart, die Hij toezendt, is geen voorwerp van zijne of van der zaligen verlustiging, maar een middel tot verheerlijking van zijne deugden en dus door dit einddoel in hare zwaarte en hare mate bepaald 3).

577. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der wereld. Sommigen hebben deze met Thomas 4) wel vóór het laatste oordeel ge-

i) Verg. deel II 401, 405.

*) Augustinus, Enchir. 110 zeide: poenas damnatorum certis temporum intervallis aliquatenus mitigari. Verg. ook Lombardus, Thomas, Bonaveutura op bent. IV 46. Opmerkelijk is ook, dat Ambrosius en Hieronymus onderscheid maken tusschen impii (infideles, niet-Christenen) en peccatores (Christenen, die als zondaren leven en sterven), en de eeuwige straf in de hel tot eerstgenoemden beperken. Zoo wordt althans beweerd door Niederhuber, Die Eschatol. d. h. Ambrosius bl. 120. 248 v.

3) Zie verder Augustinus, Enschir. 110-113, de civ. XXI. Lombardus, Sent. IV dist. 46-50. Thomas, S. Theol. suppl. qu. 97—99. Dante, De Hel. Petavms, Theol. IV de angelis III c. 4-8. Sachs, Die ewige Dauer der Höllenstrafen. Paderborn 1882. Joseph Bautz, Die Holle. Im Anschluss an die Scholastik dargestellt3. Mainz 1905. Stufler, Die Heiligkeit Gottes und der ewige Tod, kwam tegen Schell op, die de mogelijkheid eener apokatastasis aannam. Kiefl nam zijne verdediging op zich: Hermann Schell und die Ewigkeit der Höllenstrafe. Passau 1904, en ontving toen repliek van Stufler, Die Verteidigung Schells durch Prot. Kiefl. Innsbruck Rauch 1905. A. M. Weisz, Die relig. Gefahr. bl. 277, 353. Het Protestantisme koesterde over de eeuwige straf dezelfde gedachte, zie kortheidshalve De Moor, Comm. III 354-358. M. Vitringa, Doctr. IV 175 II 305, 320. In

den nieuweren tijd vindt het denkbeeld, dat het hiernamaals toch niet voor ieder mensch een toestand van gelukzaligheid medebrengt, soms meerdere waardeering, op grond van het absoluut karakter der zedewet of op grond van de wet der vergelding (het karma), die de gevolgen der zonde onvermijdelijk maakt, verg. mijne Wijsbeg. der Openb. bl. 271. Over de gedachten der Heidenen ten aanzien van loon en straf aan gene zijde des grafs, zie Hettinger, Apol. d. Christ, IV 320 v. 4) Thomas, S. Theol. suppl. qu. 74 art. 7.

Sluiten