Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G.

Gerretsen ; over den val des menschen, III 13 N. 2 — Rom. 7, III, 66 N. 1.

Gilbert Porretanus; over God, II 101, 108.

Gomarus; over het geloof (toevluchtnemend en verzekerd), IV 104.

Gore, Ch.; over val en erfzonde, III 12 v.

Gottschalk; I, 135, II 360 v., 517.

Gregorius Magnus; I, 133 v.

Gregorius van Nazianz; over den persoon en de Godheid des Heiligen Geestes, II, 320, 330 v.

Gregorius van Nyssa; I 122 — over de eigenschappen Gods, II109 v. — de Drieëenheid, II 305 v.

Grètillat; I 194, 196.

Greydanus; over de erfzonde, III91 N. 1.

Groe, van der; over het geloof, IV 106 N. 3.

Groenewegen, H. Y.; over dogma en dogmatiek, I 5, 9, 14, 76 v., 251 v., 259 v.

Gross; over de collegia pietatis naast de streng wetenschappelijke colleges, I 30.

Grotius, Hugo; over de voldoening van Christus, III 380, 436.

Griitzmacher, R. H. ; I 164.

Gunkel; over de openbaring, I 302 v.

Giinther, A.; I 149 — over de bewijsbaarheid der Triniteit, II, 340 v.

H.

Hackel; zijn boek „die Weltrathsel" I, 264 — zijn bestrijding der openbaring, I 303, 305 — zijn pantheïstisch monisme, II 436, 549.

Halesius, Alexander; als scholastiek theoloog, I 139 — over het donum superadditum, II 577.

Hamelius; over de inspiratie, I, 429.

Hamilton, W. Sir; over de kenbaarheid Gods, II 20.

Haneberg, Dan.; over de inspiratie, I, 430.

Haring; over den grond des geloofs, I 587 v., Christus' Godheid, III 280.

Harnack, A ; over dogma en dogmengeschiedenis, I 8 v., 105 v„ 113,127, N. 1, 170, 649, 651 v., het eigenaardige der Grieksche Theol., I 127 N. 1., canon des N. T., strijd met Zahn I, 420, openbaring en Christendom, I 105 v., 300, 588, 651, III 282 v., 388.

Hartmann, Ed. von; over het onbewuste, II, 62, 63, 175,184 v., 230 v. — Christus en de verlossing III, 382, 383, 621 v.

Hartog, den, Dr. A. H.; over 's menschen val, III 13.

Hase, Karl; I 160.

Hastie W.; over de Geref. Theol. en hare grondbeginselen, I 199.

Hatch, Edw.; over de Christelijke dogmata en dogmen-geschiedenis, I 199, 649.

Hatiem, Pontiaan van; Zijn antinomianisme, IV, 162, 211 N. 1, 227 v.

Hayd, Prof.; over den laatsten grond des geloofs, I 624.

Hegel; Zijn systeem en invloed op Theol. en Dogm., I 8, 161 v, 215, 261 v. 301, 549, 552, II 228, 335, vgl. verder de afzonderlijke onderwerpen — zijn school, I 162 v., 261 v., 549 v. — zijn intellectualistische opvatting van de religie en de verhouding van deze tot de philosophie, I 47, 261 v., 552 v. — over de openbaring, I 300 v. — de kennisse Gods, II 18, 24, 84 — de bewijzen van Gods bestaan, II 58 — God, II 96,149,156,170 - de Drieëenheid, II 300 v. 330, 335 — het ontstaan der wereld en hare verhouding tot God, II 228, 431, 433, 441, III 33 — het Jodendom, III 219 — Christus' verzoening en verlossing, III 274, 382, 627 v. — de Kerk, IV, 314.

Hengstenberg; over de rechtvaardigmaking, IV 207, 239 N. 5.

Herbert van Cherbury; I 187, over de natuurlijke religie, I 316 —^over de openbaring, I 397.

Hermes; I 149.

Sluiten