Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gronden des geloofs; moeilijkheid van het onderzoek daarnaar, I 529 v.

— verschillend opgegeven, I 531 v.

— bij Rome, I 621 v., IV 335.

Groninger Theologie in Nederland; I 191, 298 — haar leer van God, II 97 — over Christus' werk, III 388, 428.

Grootheid Gods-, II 259.

H.

Haat Gods-, II 220.

Hades-, zie Doodenrijk of Sche'ol.

Handoplegging in de Schrift-, III 359, IV 417 v. — bij de ordening tot het ambt, IV 418 v.

Harde uitdrukkingen z.g. bij de Gereformeerden; II 413 v., III 44.

Hart des menschen; II 598.

Hebreërbrief over Christus en Zijn werk, Zijn heiliging en priesterschap ; III 474, 486, 541 v.

Heerlijkheid Gods-, I 341, II 256v.

Heerlijkheid, staat der eeuwige; IV 805 v. — graden en trappen daarin, IV 812 v.

Heerschappij des menschen over de aarde in verband tot het beeld Gods; II 603.

Hegeliaansche dogmatici in hun grondgedachten ; I 47.

Heidendom en Christendom-, verhouding en strijd tusschen beide in de eerste eeuwen, I 111 — oorsprong, karakter en bestemming volgens de Schrift, I 326 v., 340 en volgens de nieuwere philosophie en evolutieleer, I 327 v.

— onderstelt natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring Gods, I 322, 326, 330 v. — vergeleken met het Christendom, I 332, 339 v., 358 v., 538, III 229, 248 — zijn kosmogoniën, II 428, 440 — over de positie van den mensch tegenover de wereld en natuur, II 463

— de voorzienigheid Gods, II 638 v. — den oorsprong der zonde, III 16 v., 18, 72 — de verlossing, III 229, 356 v., 553 v. — bekeeringen in het, IV 127 v. — organi¬

satie van de religie in het, IV 297

— over de toekomst, IV 716.

Heidenen; Kunnen zij zalig worden zonder de prediking van het Evangelie : oordeel daarover bij de Pelagianen en sommige theologen, I 323 v , IV 808 v. — oordeel over hen en hun toekomstig lot bij Rome, II 583 v. — hun toebrenging volgens de profetiën des Ouden Testaments IV 723 v.

Heilig-, Beteekenis van dit begrip in de Heilige Schrift, II 212 v. IV 270 v.

Heiligen; de, bij Rome, IV 258.

Heiligheid Gods; II 211 v.

Heiligheid des menschen ; volgens velen geen oorspronkelijke gave, maar alleen in den weg van zedelijke inspanning te verwerven, II 570, 575, 600 — en zaligheid, II 603.

Heiligheid der Kerk bij Rome; IV 349 v. volgens de Reformatie, IV 349 v.

Heiligmaking-, II 214 v. IV 245 v. — en rechtvaardigmaking, IV 226, 266 v. vgl. voor Ritschl, IV 231 N. 2 — in Christus voor ons gereed, wettische en evangelische IV 266 v. 701 — passieve en actieve, IV 270 v. — trappen in de, IV 286 — wordt voltooid in en bij den dood, IV 702 v.

Heiligverklaring; in de Roomsche Kerk, IV 691.

Heilsorde-, III 551 v. IV 113 v.

Heksenprocessen; III 194.

Hel\ in de Schrift, IV 666, 782 v. zie Straf, eeuwige, der zonde.

Hellenistisch Grieksch ; Zie Nieuw-Test. Taal.

Hemel in de Schrift-, II 154v. 478.

Hemelvaart van Christus; III 501 v. — als triumf over de booze geesten,

III 547 v.

Herediteit-, Zie Overerving.

Herrnhuttisme-, I 157 — over Christus als den eigenlijken Schepper en God, II 446, III347 — de zonde, III77

— de verlossing IV 163. Zie ook Zinzendorf.

Hexaëmeron; Zie Zesdaagsch scheppingswerk.

Hiërarchie-, als intieme gedachte van het Roomsche systeem, II 476.

"Xxa-fzoc en y.y.ryjj.'x.'yr,; III 367, 504 v.,

IV 113.

Sluiten