Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Trinitarische indeeling der Dogmatiek; I 100, 102.

Tritheïsme; II 298.

Trouw Gods ; II 200 v.,

Tubinger theologen over de exinanitio van Christus, III 271, 483.

Tucht, Kerkelijke IV 139 v., 446 v., 462'v.

Tusschenwezens bij Philo en in de Joodsche Theologie; II 265 v.

Twaalve; zie Apostolaat.

Tweede oorzaken-, [II 418 v., 657 v., 661 v.

u.

Uitstorting des Heiligen Geestes op den Pinksterdag, III 563 v., IV 113 v. 300.

ijnio mystica; III 594, IV [114, 226, 268 v. 622, 633 v.

Unitarisme in Engeland ; I 200, II 297.

Universalisme of particularisme in Christus' voldoening, III 514 v., IV 4 v. — bij Jezus, III 528 N. 1 — der Schrift en der Gereformeerde belijdenis, IV 810 v.

Urim en Thummim; I 344.

Utilistische Moraal; II 204.

V.

Vadernaam Gods-, II 136, 273 v.,314 v.

Vagevuur, leer van het-, IV 176, 668 v. 684, 697 v.

Val der engelen-, III 11, 52,122 —oordeel daarover van de theosophen, III 55 — tijd, III 60.

Val des menschen, volgens Gen. 3; III 4 v., 99, 122 v. — tijd, III 55 v.

— gevolgen voor zijne natuur, III 98 v. — het zondige er in, III 100 v.

— invloed op de natuur, III 184, 185 — gevolgen, III 201 v. Zie ook Genesis 3.

Vaticanum, I 151 — over de theopneustie, I 432, 453.

Veertig dagen, de, na Jezus' opstanding; beteekenis daarvan, III 498 v.

Verantwoordelijkheid en toerekenbaarheid-, III 172 N. 2.

Verbeelding; hare beteekenis in de verklaring van den oorsprong der zonde, III 51 v.

Verbond; in het menschelijk leven, II 611 — in de Schrift, II 611, III 205 v. — in de Gereformeerde Theologie, III 238 — als wezen der religie, I 318, II 611, 612, 613 v., III 211.

Verbond der werken; I 318, II 607, 609 v. 611 v., III 236 v. — in hoer verre'verbroken, III 137, 176, 236.

Verbond der genade; III 199 v. 684 — en verbond der werken, III 236 v. — en verkiezing, III 241, IV 576 onderscheiding in inwendig en uitwendig, III 244, IV 34 N. 2, 313, 535 — bestaat in twee deelen, III 556 — gaat aan heilsorde vooraf,

III 596, IV 226.

Verbond \met\ Noach, III 226 v. 235.

Verbondsbedeeling Gods met Israël, I 239 v., III 188, 228 v.

Verdienste van het schepsel tegenover God uitgesloten, 11613 — van Christus — ook voor zich zeiven? III 485 v. — ook voor verlorenen III 534 v. 535 — niet voor allen hetzelfde, III 534 v. — voor redelooze schepselen, III 535 — voor de engelen, III 536 v.

Verdienstelijkheid der goede werken bijiRome, IV 256 v., 273,281,285.

Verdorvenheid der menschelijke natuur volgens de Gereformeerden, III 86 v., 97 v., 113 v.

Vergelding; III 160 v.

Vergeving; IV 231, ook N. 2., 239 v.— gebed om, bij geloovigen, III 173,

IV 239 v. — en berouw volgens Frommel en Moberly, III 409, N. 1 — en voldoening, III 414 v. — als macht aan de apostelen geschonken, IV 173 — grootheid dezer weldaad, IV 183 v. — in Israël IV 185 v., 216 — in het Buddhisme niet gekend, IV 184 v. — in het Nieuwe Testament, IV 188 v.

Verhooging van Christus; volgens Thomas, III 477 v. — volgens de Gereformeerden, III 484 v., 656 —

Sluiten