Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zedelijke wereldorde; II 67 v., 227, III 169, 413 v.

Zedelijk leven bij de Gereformeerden, III 600 v.

Zedelijkheid en religie ; I 39 v., 268 v., II 66 v.

Zegelen naar de Schrift, IV 520 v.

Zegen Gotfs ;* III 174.

Zekerheid-, verschillende soorten er van, I 60 v., 615 — onmiddellijke in onze kennis, I 61, 225_v. 608 — noodig in de religie, 161, 547 v,— des geloofs, I 614 v., IV 124 v. 243 v.

— moreele, bij Kant, I 616 v.

Zetf bewustzijn Gods ; II 183 v., vgl. 186 — in betrekking tot de wereldkennis Gods, II 187, 238, 349.

Zelfbewustzijn van Christus-, III 263 v.

Zending-, Bekeeringen daarin, IV 154 v.

Zesdaagsch scheppingswerk-, II 511 v.,

Ziel des mensehen ; II596 v., IV 73, 652 v.

— haar wezen onbekend, II 175 — haar vermogens, II 598 v. — haar vereeniging met het lichaam, II 601 v. — in onderscheiding van de ziel van het dier, IV 653 v.

Zieleslaap ; IV 673, 677 v.

Zielsverhuizing-, III 57, IV 48, 673, 697 v.

Zien, het, van God ; zie Aanschouwing Gods.

Zijn, het absolute, Gods, beschouwd als inbegrip der Godsidee in theologie en philosophie, II 93 v., 102 v., 106 v., 169 v. — onderscheid hierin tusschen theologie en philosophie, II 103, 106, 149, 169 v.

Zijn en denken in hun onderlinge verhouding, I 552 v., II 64 v.

Zinnelijkheid-, gedacht als wortel der zonde, III 31, 34 v. — in verband tot de zonde, III 53.

Zintuigen-, als organen van kennis, 1 229 — physiologie der, wat zij leert van de eigenschappen der dingen, I 216, 218, 219.

Zitting ter rechterhand Gods van Christus; III 502.

Zoeken van God-, hoe te verstaan, II 162.

Zoenoffer in de religies; III 356 — in Israël, III 358 v. Zie ook Offerande, Offerande van Christus.

Zonde -, hoe ze ons scheidt van God,

II 161 — geen eigenlijke idee van haar in God, II 200, maar wèl object van Gods kennis en gedachten, II 200, III 50 — geen oorzaak der verwerping, II 4C0, 403, 414

— niet praeter, wél contra Gods wil, II 403, 405, 410 v., 414, 417

— der geloovigen, II 416 — in hoeverre een goed, II 417 — verandert niet de substantie, II 617, III 185 — hare overerving II 630 v.

— in verband tot de voorzienigheid Gods, II 666 v., III 41 v. — haar oorsprong, III 1 v. — der mensehen en der engelen,III 52v.— haar algemeenheid, III 61 v., 76 — onderscheid in graad, III 75, 144 v., 177 v. — als straf van zonde, III 97 — geen substantie, III115,132 v.,

— maar ook niet bloot actus, III 75 v., IV 78 — haar wezen, III 123 v.

— bij oud-Israël volgens de nieuwere theorie, III 125 v. — komt eerst tegenover het Evangelie tot haar schrikkelijkste openbaring,

III 139 — rijk der, III 151, 179 — principe en verdeeling, III 151 v. — onderscheiding in dood- en vergeeflijke zonden, III 153 v. — tegen den Heiligen Geest, III 156 v., IV 291 — als misdaad, die straf eischt, III 410 v., IV 793 v. — maakt niet minder, maar meer afhankelijk van God, IV 8 — onderscheiding in lichte en zware in de eerste Christelijke kerk, IV 139 — hare kennis door Wet en Evangelie beide, III 139, IV 167. Zie ook Val, Straf der zonde, Erfzonde, enz.

Zondeloosheid van Christus-, III 111, 311, 317 v., 342 v.

Zondvloed-, in zijn beteekenis voorde vorming der aarde, II 525 v., 540 v.

Zoon Davids-, als aanduiding van Christus, III 311, 316 v.

Zoon Gods; in de Schrift, II 276 v„ 316 v. — in betrekking tot de wereld, II 445 v„ 448 — als naam van Christus, III 264 v. — als Mediator unionis ook vóór den val, III 297.

Zoon des mensehen; als naam van Christus, III 259 v.

Zwijndrechtsehe Nieuwlichters-, IV 211 N. 1.

Zwitserland, Geschiedenis der Geref. Theologie in; I 174, 189, 193v.

Sluiten