is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzamelde opstellen van Willem Zevenbergen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet subjectief maar objectief. Ook de categorieën der veelheid en der verscheidenheid vinden hier geen toepassing. De voorstellingen van het recht, het recht in zijn psvchologischen neerslag zijn veel en velerlei. Maar de zin der rechtsorde is een en dezelfde. Tegenover de veelheid en veranderlijkheid in onze voorstellingsinhouden staat de eenheid en het zich-zelfblijven, de identiteit der verplichtingen.

Dat de norm in dezen zin niet kan veroorzaken noch veroorzaakt wordt, spreekt vanzelf. Ze heeft geen enkel aanknoopingspunt met ruimte en tijd, ze is nergens en nimmer, hoe zou ze dan werken? Dat de voorstelling, de taalkundige uitdrukking als voorstellingsinhoud, werken kan, spreekt vanzelf; maar we weten immers, dat de voorstelling van eenig «voorwerp» iets anders is, dan het voorwerp als zoodanig

VIII. — Vatten wij thans onze conclusie samen. De rechtsorde, ats een geheel van oordeelen in logischen zin, is derhalve tijdloos, ruimteloos, onvergankelijk, identiek, onoorzakelijk, één, objectief, ideëel, kortom is iets, dat geldt in philosophischen, logischen zin. Ze mist tijdelijkheid, ontstaanbaarheid en vergankelijkheid, veranderlijkheid, oorzakelijkheid, is niet een veelheid,. is niet subjectief noch reëel, noch existeert zij. Al deze categorieën nu maken juist onze ervaring mogelijk, stellen ons juist in staat het voorwerp in ons denken op te nemen. Met deze categorieën moet ook de socioloog «werken». Hieruit volgt, dat de socioloog op het recht als zoodanig, op de rechtelijke oordeelen «an sich» hoegenaamd geen vat heeft. Dit gelden, deze zin is voor geen waarneming vatbaar, hier valt niets te «beobachten».

Een sociologie van het recht als zoodanig is derhalve ondenkbaar. Dat Ehrlich een dik boek schrijft om voor deze sociologie een basis te scheppen, bewijst zonneklaar dat hij, hoezeer onderscheidend tusschen norm en natuurwetten, zich van de psychologistische denkwijze niet heeft kunnen losmaken, dat zijn werk slechts verklaarbaar is als een verwarring van oordeelen en oordeel.

Merkwaardigerwijs speelt het begrip gelden toch in de sociologie van het recht een groote rol. Men vraagt zich onwillekeurig af, hoe dat dan mogelijk is. Ze moet als wetenschap van de tastbare, zinnelijke, werkelijkheid denken in de door ons besproken categorieën. Hoe kan ze dan dit begrip «gelden» toch nog toepassen en gebruiken? De overgang, die