Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men kon, of wy reeds waren thuis gekomen, riep den man.

„ Wel, meester Karei, zyn ze naar de abdy gereden? — maar, terwyl het van daag zoo warm is geweest, denk ik, dat myn waarde vriend zich liever van den fchoonen avond zal bedienen."

„ Wat hy voornemens is," zeide Karei met nadruk, „ weet ik niet. Hy heeft my dezen morgen, eer hy afreed, zyn dienst ontzeid. — . ik ben ten uiterften Aagt behandeld , myn Heer! — maar de Heer Branville weet best,hoe hy my getergd heeft. Ik zeg dit niet uit

wraak: neen ik weet genoeg van

zyne laage, fchelmfche ftreeken; dingen,

myn Heer, die, als hy loon naar verdienste kreeg, hem aan de galg zouden helpen."

„ Foei , foei," zeide myn vader , „ draag zorg myn vriend, dat ge een van de waardigften en beften der menfchen niet veroordeelt ot

zoo oneerbiedig behandelt. ik kan geen

laster veelen foei, fchaam u wat!"

„ Ach, myn Heer!" zeide de man, „ het heeft my zoo dikwyls tot in de ziel gegriefd, dat ik een zoo braaf man, als gy, zoo jam-

merlyk zag bedriegen. Het leeven van

E 3 den

Sluiten