Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I 188 )

de vriendelykhcid der dienstboden in het affcheid - nemen, welk my zoo neerflagtig maakte? ■ Ik zou gaarne gelooven, dat het zoo

was.

„ Gy moogt wel uitfcheïden met uw gaarne gthoven, Fanny" dunkt my hoor ik U zeggen: maar, Gy moogt het toefchryven, Vriendin, aan welke oorzaak gy wilt, dit is zeker, dat ik my in zoodanigen toeftand bevond, dat ik

my volftrekt niet weerhouden kon. Een

jong fchepfel — verlaaten — hulpeloos — een wees — midden in eene onmededoogende waereld ujtgeftooten — en.dat wel door onbermhartige bloedverwanten Had ik met dit

alles geene reden tot fchreien? Doch myn

Tante zorgde zeer wel, dat zulks niet lang duiu>

de, door de volgende bitfe aanfpraak:

„ Wel, Fanny, my dagt daar zoo aanftonds, dat ge u verbeeldet, dat de Heer Belford die

buiging aan het raam voor u maakte; ten

minften aan je neigen, datje deedt, kwam het my zoo voor. Wel, kind, hoe kunt ge zoo dwaas en zoo trotsch wezen, van je dit te '/erbeelden? Neen, Fanny, dat was een compliment, dat hy my maakte; want eene zoo niets beduidende kleuter, als gy zyt, zou hy zeker-

lyk

Sluiten