Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 225.3

had mynen öngelukkigen echtgenoot te kunnen

vinden. Aan de deur Hond een man ,

die 'er zeer leelyk uitzag. Ik fteegaf,

^n verzogt hem, my de kamer van den Heer Benfon te wyzen, zeggende hem, dat ik zyn vrouw was. — De kaerel keek my met eert foort van grimlagch aan, en leidde my een moeilyke trap op, vervolgens in een ellendig kamertje, daar hy de deur van opendeed, roepende, , daar is je wyf om je te bezoeken.'* Het eerfte voorwerp, dat my in 't oog vief, was een zeer lief jong meisje, zoó ik gis, van zeventien Taar, hebbende haar éénen arm om de hals van myn echtgenoot geflagen, terwyl hy den ander met vervoering aan zyne lippen drukte. Hy fcheen zoo even uit het bed opgedaan; want zy zaten; of liever zy lagen beiden in eene juist niet zeer betaamelyke hou* ding op den kant der bedftede. ■■ Dit ge* zicht was, ondanks; al den moed, waarmede ik

my gewaapend had, voor my te fterk. -

Als leevenloos Zeeg ik op een oude gebroken floel neder,- dóch ik herftelde rasch; ik had binnen weinig tyd weder moed én kracht genoeg, om met myn kind op de arm, tot myn fnooden echtgenoot te naderen. 1 1 Vooraf P had

Sluiten