Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xvi ï N H O u r>.

wet Gedrag ten opzichte van onze 'Medemenschen. Menfchenliefde,Gerechtigheid, Billykheid en Goedheid. Vr. «45 -252. Aïgemeene Uitingen der Menfchenliefde. Vr. 253-261. Byzondere Betooningen der Gerechtigheid en Goedheid jegens anderen ten opzichte van hun Leeven, hunne innerlyke en uiterlyke Welvaart. Vr. 262-285. in enkele gevallen jegens Noodlydenden, Vyanden, Vrienden en Weldoeners. Vr.286-297.Vw het huislyk, burgerlyk en kerkelyk Gezelfchap* frr. 298-- 321. —— Van het gedrag jegens de Dieren. Vr. 322.

VII. Van de Bevordering der Christelyke Gezindheden en Deugden. Hoe ieder goed-werden en hlyve.n kan. Vr. 323—324. Hoe de gevallen Mensch verbeterd zal worden door Boete, Geloof en Heiliging. Vr. 325-341. Verplichting tot Heiliging door den Doop op den Vader, 'Zoon en Heiligen Geest'. Vr. 342- 357. Gods Geest is de Stichter en Bevorderaar van onze Deugd. Vr. 358—368. inzonderheid ook door het van Jezus ingeheide Avondmaal. Vr. 369—391. Uitwerkingen der Christelyke Verbetering en Deugd. Vr. 392-398.

VIII. CmnSTELYK Onderwys van het eeuwig Leeven. Zekerheid van hetzelve, Vr. 3 9 9--403 Gefteldheid voor Godvruchtigen en Qodloozen. Vr. 404-414. Op/landing, Oordeel. Vr. 415-419.

IX' GODDELYRHEID EN VoORTRBFFELYKHEin

van Jezus Leer, uit haaxen Inhoudhaarejlichting en werkzaamheid, Vr. 420 -427.

Sluiten