Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Natuur, XI. Onderh. 223

altyd krachts genoeg op den mensch 's Memheeft, om zyne averechtfche gewoonten r"^, te verwinnen, of derzelver uitwerkfèls hinc. te fchorten , itoort het hem , of ontroert hem ten minnen in het kwaad: het waarfchuwt hem ; het houdt hem tegen in het midden zyner ongebondenheden. Hy heeft overal, binnen in hem, niet alleen een getuigen van alle zyne daaden , of zelfs een' onpartydigen rechter, die hem pryst in al het goed, dat hy doet; en die hem zonder barmhertigheid veroordeelt in alles, wat hy tegen de billykheid of tegen de waarheid beftaat. Het geweeten verheft hem heimelyk de verdienfte van alles, wat waarachtig, wat rechtvaerdig, wat betamelyk, wat keminnelyk, wat pryswaardig is , en zet 'er hem toe aan. Hy kan het geene, dat zich met het merk van valschheid, van onrechtvaerdigheid, van lafheid, van leelykheid of fchande voor hem vertoont, niet goedkeuren, zonder dat zyn geweeten het hem verwyte. Het eerfte geroep, dat het ons doet hooren, gaat de kwaade daad voor. Als hy 'er zich dan toe begeeft , is het met ongerustheid ; dan

moet

Sluiten