Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Natuur, XII. Onderh. 241

„ plaatfen, om haar te verkleenen en De Alge„ als in een' drekhoop te werpen ?" Laaten wy onwaardige lastertongen hun- kunst. ne reden laaten onteeren, door zulke imaadheden, die, fchoon zy de Godheid te na komen , veel befpottelyker dan gevaarlyk zyn.

Het is niet zonder een gewichtig oogmerkt , dac God dienstig geoordeeld heeft: onze geesten, door zoo veele verfcheiden banden, te hechten aan de ftoffelyke voorwerpen, die ons omringen. Hy heeft krachtdaadiglyk gewild , dat wy een deel zouden maaken van deeze vergangkelyke maatfchappy, om ftoffe tot onzen 'arbeid en tot de oeffeninge der deugd te verfchaffen, terwyl wy eene andere maatfchappy, waarvan hy ons hier alleen de hoope en den voorfmaak geeft, verwachten. In alle foorten van behulpfels, waarmede zyne weldoende wysheid den menfchen heeft willen vereeren en verlichten, als de zinnen, de reden, het geweeten, de hoop op eenen beter ftaat, en het onwaardeerlyk gefchenk der openbaaringe, vindt men God onveranderlyk getrouw aan zyn bewerp, 't welk was de menfchen te

IX. Deel. Q ver-

Sluiten