Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derNatuuR, XIII. Onder k. 379

121 voordel de helft van die drie boo- De Maagen, of de helft van den geheelen cir- T!iNkei / tot hunne maat hebben. Waar uit noodwendig volgt dat

133. De drie hoeken van ieder driehoek gelyk zyn aan twee rechte hoeken , de helft van den ganfchen cirkel tot hunne maat hebbende, gelyk twee rechte ook de helft van den geheelen cirkel tot hunne maat hebben.

134. Een driehoek kan niet meer dan éénen rechten hoek hebben: want dewyl 'er geen driehoek zonder drie hoeken kan wcezen, kan 'er, als hy eenen rechten hoek heeft, flechts ééne rechte hoek overfchieten, om de beide overige hoeken te maaken: deeze moeten dus elk afzonderlyk minder dan een rechten hoek weezen, naardien zy met hun beide flechts éénen rechten hoek kunnen uitmaaken.

135. Met des te meer reden kan een driehoek flechts éénen ftompen hoek hebben.

136. Indien één der drie hoeken van eenen driehoek recht is, is dc fomme der beide andere 90 graaden , omdat zy met hun beide gelyk zyn aan eenen

Sluiten